Twee jongens op zoek naar geluk

Katja de Bruin ,

Voormalig verslaggever Caroline Brothers schreef Achterland, een roman over twee Afghaanse broertjes die proberen Engeland te bereiken. ‘Deze kinderen bestaan en ze zijn overal, in al onze steden. Het gebeurt voor onze ogen.’

Het begon met de tuinman van het Guggenheim museum in Venetië. Hij was nog heel jong en bleek uit Afghanistan te komen. De Australische Caroline Brothers volgde als verslaggever voor de International Herald Tribune al jaren de vluchtelingenstroom in Europa, toen ze met hem aan de praat raakte. De jonge tuinman vertelde haar over een park in Parijs, vlakbij het Gare de l’Est, waar Afghaanse vluchtelingen elkaar ontmoetten.

‘Toevallig woonde ik destijds vlakbij dat park,’ vertelt Brothers via Skype vanuit Brisbane, waar ze is om haar nieuwe roman te promoten. ‘Ik ging er kijken en zag er inderdaad veel Afghaanse jongens rondhangen. Maar pas ’s avonds zag ik hoe ze over de hekken klommen om hun kartonnen dozen te pakken. Uit de struiken kwamen slaapzakken en dekens tevoorschijn. Sommige jongens zagen er heel jong uit. Ik informeerde ernaar bij een van mijn contacten bij de UNHCR. Er bleek een kleine opvang te bestaan voor de allerjongste vluchtelingen. Zij konden overnachten in een ongebruikt metrostation dat overdag in gebruik was als daklozenopvang. Pas toen ik ’s avonds de lange rij zag voor die opvang, realiseerde ik me hoeveel kinderen er zonder hun ouders onderweg moesten zijn. Mijn nekhaar ging recht overeind staan.’

'Fictie beklijft beter dan een verhaal in de krant. Ik heb in dit verhaal alle emoties kunnen stoppen die ik in mijn journalistieke werk niet kwijt kon.' - Caroline Brothers

Empatie

Dat gevoel lees je terug in het zojuist verschenen Achterland, de roman die Brothers schreef over twee Afghaanse broertjes die proberen Engeland te bereiken. Istanboel-Teheran-Istanboel-Athene-Rome-Parijs-Londen is de route die de veertienjarige Aryan er bij de achtjarige Kabir instampt. Zodat die weet waar hij langs moet als ze elkaar onderweg kwijt raken.
De roman dateert uit 2011, maar de Nederlandse vertaling van Pauline Slot is nu pas verschenen.

Brothers berichtte al over migratie toen dat nog een marginaal onderwerp was. Dankzij haar enorme netwerk, zowel op straat als bij hulpverleners, slaagde ze erin steeds dichterbij haar onderwerp te komen. Hoogtepunt was het verhaal over minderjarige vluchtelingen dat de voorpagina van The New York Times haalde.

‘Dat stuk kreeg enorm veel aandacht. Reacties, discussies, verontwaardiging. Maar toen de ophef voorbij was, gebeurde er niets. Er veranderde niks. Dat vond ik frustrerend. Het debat was zo gepolariseerd. Ik wilde dit verhaal uit die sfeer van polemiek en politiek halen, weg van al dat opgewonden geschreeuw. Zodat mensen zich zouden realiseren dat we het hier hebben over jonge, kwetsbare kinderen.

Met journalistiek haal je soms de voorpagina, maar met fictie kun je empathie creëren. Je gaat meeleven met de personages. In de krant beperk je je toch tot de feiten en cijfers. Fictie beklijft beter dan een verhaal in de krant. Ik heb in dit verhaal alle emoties kunnen stoppen die ik in mijn journalistieke werk niet kwijt kon.

Groot drama

Nadat mijn boek in Engeland was verschenen, kreeg ik een reactie van een dokter uit het noorden van het land die me bedankte, omdat hij dankzij mijn boek begreep waar de typische verwondingen vandaan kwamen die hij vaak aantrof bij vluchtelingen. Die worden veroorzaakt doordat ze telkens proberen op vrachtwagens te klimmen waar ze dan weer afvallen. Het zijn kleine dingen, maar ik was er heel blij mee.’

Brothers vertelt het verhaal van de Afghaanse broertjes vanuit het perspectief van veertienjarige Aryan. De lezer weet meer dan hij en dat maakt het af en toe bijna ondraaglijk. Tegen beter weten in hoop je op een happy end. Ook Brothers zelf ging zich hechten aan Aryan en Karib.

‘Op een gegeven moment liet ik een eerste versie van het verhaal lezen aan een vriendin. Zij vond dat ik ze te veel in bescherming nam. Van haar moest ik bedenken wat het ergste was dat mijn jongens zou kunnen overkomen en dat vervolgens laten gebeuren. Dat vond ik vreselijk, maar ik heb het wel gedaan want ze had gelijk. Ik was inderdaad bezig ze te beschermen.

Uiteindelijk heb ik het verhaal zo simpel mogelijk verteld, bijna als een fabel. Twee jongens op zoek naar geluk. Het mocht geen sensationeel avontuur worden. Deze kinderen bestaan en ze zijn overal, in al onze steden. Het gebeurt voor onze ogen. Ik heb er heel bewust geen groot drama van gemaakt, al is het dat natuurlijk wel. Maar de kinderen zelf vertellen hun verhaal ook niet op die manier. Zij zien het niet zo. Ze zien zichzelf niet eens als vluchtelingen. Ze zoeken gewoon een plek waar ze naar school kunnen en een toekomst hebben.

In de rij voor de noodopvang in Parijs stond een jongetje van een jaar of tien. Later zag ik hem alleen op een bankje in het park zitten. Hij was op weg naar Scandinavië. Hij liet me een kaartje zien voor de trein naar Stockholm. Ik vroeg of hij daar familie had. Hij bleek er helemaal niemand te kennen, maar hij had gehoord dat het daar goed was.’

Brothers klinkt geëmotioneerd bij de herinnering. Vervolgens vertelt ze over het theejongetje dat wegliep uit een huis vol Iraanse mannen die hij moest bedienen. Over de jongen die stikte in een vrachtwagencontainer. Over de jongen die zich ophing aan een boom in een park in Parijs. Over de jongen die werd doodgereden in de Kanaaltunnel.

'We zien vluchtelingen als mensen die alles verloren hebben en ons nodig hebben, maar we vergeten dat het ook mensen zijn die ons dingen te bieden hebben' - Caroline Brothers

Niemandsland

Als verslaggever bracht ze veel tijd door op allerlei plekken in Europa waar migranten samenkomen. Het sinistere niemandsland bij de Turks-Griekse grens, daar waar een rivier de buitengrens van Europa markeert. De detentiekampen in Griekenland. De parken, parkeerplaatsen en stations waar smokkelaars hun handelswaar ontmoeten. In Achterland trekken Aryan en Karib langs al deze plaatsen. Vaak moe, hongerig en vies, maar vol overtuiging want ze geloven heilig in hun eindbestemming: Engeland. Daar mag iedereen zomaar naar school.

Dat geloof, zegt Brothers, houdt hen op de been: ‘Ze leven al zo lang met die droom. Je kunt ze niet vertellen dat het niet waar is, want ze willen het niet horen. Tegen de tijd dat ze eindelijk in de jungle van Calais aankomen, weigeren ze te geloven dat de werkelijkheid heel anders is. Hun familie in Afghanistan, Irak of Somalië heeft ooit gezegd dat ze naar Engeland moeten. Dus doen ze dat. Ze willen niet afwijken van dat plan. Soms lukt het vrijwilligers ze te overtuigen dat het hun reis zinloos was, maar ze hebben er zoveel voor moeten doorstaan. Ze moeten het met eigen ogen zien.’

Inmiddels is de situatie in Calais uitzichtlozer dan ooit. De hekken worden steeds hoger en de migranten nemen steeds grotere risico’s. Zelfs de meest betrokken krantenlezer bekruipt af en toe de neiging dit soort nieuws maar even over te slaan. We kennen de verhalen inmiddels en een oplossing lijkt verder weg dan ooit. Brothers herkent dat gevoel.

Wereldnieuws

‘Ik ben al een tijd geleden gestopt met mijn journalistieke werk en schrijf alleen nog fictie. Het is heel moeilijk om zo lang te schrijven over zo’n uitzichtloos probleem. Ik deel dat gevoel van frustratie en machteloosheid, dat was de motivatie om dit boek te schrijven. Dus ik begrijp heel goed dat mensen wegkijken omdat ze toch niets kunnen veranderen aan de situatie. Tegelijkertijd denk ik dat het goed is om jezelf te blijven informeren. Je moet weten wat deze mensen beweegt. Het duurt heel lang voordat de publieke opinie verschuift, maar uiteindelijk zullen we moeten accepteren dat we op een andere manier moeten gaan samenleven. Toen ik begon met schrijven over vluchtelingen, was het een marginaal onderwerp. Ineens was het wereldnieuws. De hele dag zag je interviews met wanhopige vluchtelingen. Alsof het een compleet nieuw probleem was. Politici hadden het over een crisis. Terwijl dit allemaal te voorzien was. Er gebeuren her en der positieve dingen. Een stadje op Sicilië dat al jaren kampte met leegloop, heeft vluchtelingen opgenomen. Dat gaat heel goed. Zij hebben die plaats nieuw leven ingeblazen. We zien vluchtelingen als mensen die alles verloren hebben en ons nodig hebben, maar we vergeten dat het ook mensen zijn die ons dingen te bieden hebben. Het is erg moeilijk om het zo te zien terwijl er zoveel mensen binnen komen, maar desondanks probeer ik optimistisch te blijven.’

Caroline Brothers: Achterland (oorspr. Hinterland, vertaling Pauline Slot, uitgeverij De Arbeiderspers)