steun vpro

Boeken

Suzanne van der Schot

Suzanne van der Schot is niet gelovig opgevoed maar raakte gefascineerd door het christendom. Haar nieuwe boek, 'De minnaar, de monnik en de rebel' gaat over Jezus Christus en hoe hij nog van betekenis kan zijn in de eenentwintigste eeuw.

Suzanne van der Schot is niet gelovig opgevoed en zette voor haar studententijd nooit een voet in de kerk. Toch raakte ze zodanig gefascineerd met het christendom dat ze zelfs een jaar in een Parijs klooster doorbracht. Daarover schreef ze eerder Moeilijk te geloven. Nu woont ze weer in Amsterdam, geeft Nederlandse les op een zwarte VMBO school en gelooft nog steeds. Haar nieuwe boek, De minnaar, de monnik en de rebel gaat over Jezus Christus en hoe hij nog van betekenis kan zijn in de eenentwintigste eeuw.

Ze spreekt over Jezus als verlosser, activist, leraar en dokter en gaat ze aan de hand van bekende verhalen na wat Jezus nu nog kan betekenen. Jezus als verlosser is in haar ogen geen neerbuigende of betweterige preker die de mensheid wel eens even zal redden, maar een verhaal over het erkennen van eigen verantwoordelijkheid om vervolgens de rust geschonken te worden. Van der Schots interpretatie, die ze voornamelijk uit het evangelie van Johannes haalt, behelst een wellicht onorthodoxe definitie van zonde: zonde is alles wat je tegenhoudt om jezelf te kunnen ontplooien. De angst voor mislukking, vooringenomenheid of gebrek aan zelfvertrouwen zijn dus zonden, omdat ze een mens beletten datgene te doen dat ze eigenlijk willen. Het is belangrijk dit zelf te beseffen, maar vergiffenis voor deze gedachten kan alleen van een ander komen, van Jezus. Van der Schot brengt de vergiffenis van Jezus als een overgave: hoewel je je beseft dat je zondig bent als ieder ander, kan Jezus je rust schenken door te erkennen dat zonde er nu eenmaal is maar dat je er geen minder waardig mens om bent.

Het hoofdstuk Jezus als dokter geeft een nieuwe kijk op de wonderbaarlijke genezingen. Van der Schot onderkent meerdere keren dat het genezen van blinden, doven en kreupelen voor de moderne mens maar moeilijk te verkroppen is, en geeft meteen toe dat zij zelf in bijbelse tijden waarschijnlijk tot de cynici had behoord. In de meer figuurlijke zin van genezing vindt ze echter toch een les in deze gebeurtenissen. Ze stelt genezing gelijk aan vergeving, in de zin dat beiden door iemand anders dan de zieke of zondige moet gebeuren. Ook is er in beide gevallen een vorm van vertrouwen nodig is, in de goede wil van de zondaar, in het vermogen geloven in genezing van de zieke. Ze koppelt dit terug aan een situatie die ze zelf dagelijks mee wordt geconfronteerd: haar allochtone leerlingen worden als groep verguisd door maatschappij en politiek, zoals kreupelen en melaatsen verbannen werden in bijbelse tijden. Zoals Jezus toch zijn vertrouwen betuigde in de mogelijke genezing van de zieken, zo vertrouwt Van der Schot op haar leerlingen. Wonderbaarlijke genezingen ontstaan niet door het geloof van de zieken, maar door het geloof van de genezer.

Van der Schot worstelt met de vraag hoe haar geloof relevant kan blijven buiten de muren van het klooster. In Amsterdam zijn de geloofscritici in de meerderheid en is het moeilijker om een ‘nuchter, verstandig Amsterdams meisje’ te laten overeenstemmen met ‘het gelovige meisje’. Die kloof, of die worsteling, blijkt echter niet de tegenstelling maar eerder de essentie van haar geloof: “Ik heb antwoorden gevonden, maar de vragen blijven.”