steun vpro

Boeken

Henkjan Honing & A.L. Snijders

In zijn boek 'Iedereen is muzikaal' veegt onderzoeker Henkjan Honing op grondig onderbouwde wijze de vloer aan met mensen die zichzelf zonder na te denken wegzetten als a-muzikaal. A.L. vertelt over zijn bundel 'Vijf Bijlen', een verzameling van 335 zeer korte verhalen (zkv's).

In zijn boek 'Iedereen is muzikaal' veegt onderzoeker Henkjan Honing op grondig onderbouwde wijze de vloer aan met mensen die zichzelf zonder na te denken wegzetten als a-muzikaal. Want: a-muzikaliteit lijkt -uitzonderingen daargelaten- in de beleving van Honing niet te bestaan.

Henkjan Honing staat in het Amsterdamse wetenschapsmuseum Nemo voor een klasje kinderen. Nadat hij ze de vraag 'Wie van jullie is muzikaal?' heeft voorgelegd, gaan er wat aarzelende vingertjes omhoog. Slechts een kwart van de kinderen blijkt zichzelf enige vorm van muzikaliteit toe te schrijven. De rest lijdt aan wat je zou kunnen omschrijven als een muzikaal minderwaardigheidscomplex.

Volwassenen blijken op dit gebied nauwelijks verstandiger dan kinderen, zo blijkt uit Honing's boek. Muzikaliteit wordt over het algemeen gezien als het vermogen een instrument te bespelen of een stuk te componeren. Het zijn niet slechts verstokte muziek-onverschilligen die zo denken, maar net zo goed mensen met een duidelijk aantoonbare liefde voor muziek. Hun huiskamers staan vol met manshoge stapels cd's, hun hoofden zitten vol muzikale herinneringen.

Muzikaliteit is simpelweg het vermogen om muziek te herkennen, ervan te genieten, het betekenis toe te schrijven. In feite zijn we allemaal in meer of mindere mate muzikaal, al wordt dat slechts door weinigen begrepen, zo leert Honing ons. "Je hebt als mens muzikale voorkeuren. Hele specifieke voorkeuren. Dat zijn talenten die we in de loop der tijd heel normaal zijn gaan vinden. Maar weten wat muziek met je doet, hoe het je stemming beïnvloedt, het talent van het luisteren en nuances kunnen horen: dat is muzikaliteit."

In de huidige wetenschap is bitter weinig aandacht voor onderzoek naar muziekbeleving. Honing wijt het aan het postmodernisme, een stroming die weinig opheeft met objectiverende methodes van de sociale wetenschappen. Toch moet ook Honing toegeven dat muziek an sich al een mysterieus fenomeen is, en blijft. Over het precieze waarom van het bestaan van muziek kan -ook na het lezen van Honing's boek- tot in einde der tijden uitvoerig gediscussieerd worden.

Een interessante theorie is die van muziek als communicatiemiddel op zich, zoals we zien bij de communicatie tussen volwassenen en baby's. Honing vindt hiervoor de term IDS uit: Infant Directed Speech. Brabbelmuziek die zich richt op toonhoogte en melodische contouren. Honing: "Baby's kunnen al drie maanden voor hun geboorte horen. Als we als volwassene boven een wieg hangen, slaan we als vanzelf een muzikaal brabbeltaaltje uit dat we misschien irritant vinden om aan te horen, maar dat we wel paraat hebben. Het richt zich op emotie en communicatie. Het is een emotioneel taaltje tussen moeder en kind. Dat zou je kunnen zien als een bron van muziek."

Er zijn meer theorieën over de functie van muziek: seksuele selectie, of het bevorderen van een groepsgevoel. Toch prevaleert in Iedereen Is Muzikaal boven alles toch de gedachte dat muziek vooral fungeert als een soort levensverdieper. Cognitieve functies als waarneming, geheugen en verwachting worden er door uitgedaagd: het verrijkt ons.

Honing wil vooral aangeven dat er meer muzikaliteit in ons zit dan we willen aannemen. Het in een mum van tijd herkennen van 'Yesterday' van The Beatles, al wordt het vals gefloten in een andere toonhoogte, is muzikaliteit. Het op de maat mee kunnen klappen, is dat ook. Dat is een geruststellende gedachte. De wetenschap dat muzikaal talent niet zozeer wordt aangeboren als wel aangeleerd, en zelfs tot grote hoogten kan stijgen als je er maar hard genoeg voor werkt, is dat helemaal.

A.L. Snijders zou graag grootse ideeën hebben. Maar het zit er gewoon niet in, zo zegt hij zelf. Vijf Bijlen, een verzameling van 335 zeer korte verhalen (zkv's), laat een schrijver zien die excelleert in haarscherpe, dagelijkse observaties. Gespeend van tierlantijnen, maar rijk aan zeggingskracht.

In het verhaal 'Ulk' wordt beschreven hoe de kippen van een vriend verminkt en vermoord worden door een ulk, Achterhoeks voor bunzing. Op een zomernacht hoort de vriend gekrijs uit de kippenren, springt uit bed, en betrapt de bunzing op heterdaad. Maar de vriend blijft werkeloos staan met de zaklamp, want hij is naakt:

'De man vreest voor zijn penis. Originele castratieangst. Hij laat het dier ontsnappen.'

'Ulk' is net iets langer dan een halve bladzijde. De taal die Snijders gebruikt is beschrijvend en helder. Zijn proza 'gortdroog' noemen, is een understatement. Toch is er veel te beleven en te interpreteren voor de lezer, die het miniatuur binnen een minuut uitgelezen heeft. Het is in feite een kleine roman op zich. Dat is precies Snijders' bedoeling. "Ik bewonder Japanse schilders die in één pennenstreek een prent neerzetten. Daar streef ik ook naar. Ik kan niet teveel water bij de wijn doen, en zo'n verhaal vervolgens gaan rekken. Misschien zou ik ook wel snel verveeld zijn."

Snijders schrijft zijn zkv's snel, in een tijdsbestek van een half uur, met de laptop op schoot. Daarna is het geduld op. "Dan moet ik weer naar buiten om hout te hakken. Of een trap te schilderen", zegt Snijders er zelf over. Het lijken dan ook haast gedachteloos opgeschreven verhalen. Het zijn herinneringen, bespiegelingen, en verslagen van ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen als het kopen van twee bokkingen op de markt, die geheel onverwacht nog ouderwets in een krant verpakt worden. Of een gesprekje met een allochtone winkelhouder in het verhaal 'Os', waarin twee mannen heel even dichter tot elkaar komen tijdens een ogenschijnlijk lullig gesprekje over een broodje ossenworst.

Achteloos als het werk van Snijders lijkt, dat is het niet. Zo zit in de mijmeringen over bochtjes in een zandpad, zoals in het verhaal 'Paden', veel om over na te denken. Snijders schrijft:

'Beneden zagen we de paden. Ik was vooral geïnteresseerd in kleine bochten die ontstaan waren op plaatsen waar aanvankelijk een object, bijvoorbeeld een brok steen, gelegen had dat later was weggehaald. Het intrigeerde me dat die bocht dan bleef bestaan terwijl de oorzaak verdwenen was.'

'Paden' is typerend voor Snijders werk: een verhaal dat inslaat zonder dat je precies weet waarom. Zo zijn zijn verhalen: nooit eenduidig, soms volstrekt ongrijpbaar. De lezer kan er soms wat van maken, en soms ook niet. Snijders doet wat hij doet, en daar doen wij het dan weer mee. Het is groots zijn in kleinheid, of zoals Snijders het zelf verwoordt: "Ik zou graag grootse ideeën hebben, naast bijvoorbeeld Marx. Maar het zit er gewoon niet in. Dus ik doe dit."