steun vpro

Boeken

I.M. Harry Mulisch (1927-2010)

Op 30 oktober overleed Harry Mulisch in zijn woonplaats Amsterdam. De schrijver werd 83 jaar. Schrijver Adriaan van Dis en Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde, spreken over Mulisch.

In zijn woonplaats Amsterdam is gisteren Harry Mulisch overleden. De schrijver werd 83 jaar. De uitzending van Boeken op zondag 31 oktober is geheel gewijd aan het werk en leven van Harry Mulisch (1927-2010). Wim Brands praat met schrijver Adriaan van Dis en Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde. Mathijsen heeft een specialisatie in de negentiende-eeuwse letterkunde en publiceerde enkele studies over het werk van Harry Mulisch. Beiden waren ook bevriend met de schrijver.

Op de vraag om de zin ‘Denkend aan Mulisch…’ af te maken, schiet Adriaan van Dis als eerste zijn zelfvertrouwen te binnen. "Zelfvertrouwen met een lichte spot. Voor mij was hij een voorbeeldig mens. De discipline. Leven voor zijn werk, dat stond voorop. En terecht.” Marita Mathijsen reageert op de vraag met een variant op het citaat van de dichter H.Marsman: “Denkend aan Mulisch, zie ik brede rivieren. En in zijn geval zie ik de Styx voor me. Maar als mens denk ik aan het ongelooflijk uitstralende optimisme van hem. Je werd altijd blij als je hem zag. Hij had zo’n prettige manier van kijken naar het leven. En altijd die twinkeling in zijn ogen, als hij over het leven zelf sprak. Dat was aanstekelijk.”

Waar kwam zijn optimisme vandaan? Mathijsen: “Hij wist beter dan wie ook hoe akelig het leven in elkaar zit. Hij heeft de Tweede Wereldoorlog centraal in zijn werk gezet, met het kwaad dat toen overheerste. Hij wist heel goed hoeveel slechtheid er in de wereld was. Hij vertrouwde er daarom op dat het altijd om het goede ging.” ‘Ik ben de tweede wereldoorlog’ was een bekende uitspraak van Mulisch, die hij baseerde op zijn jeugd, de achtergrond van zijn ouders. Zijn vader kwam uit Oostenrijk-Hongarije, hij werd kort na de oorlog gearresteerd, zijn moeder was van joodse afkomst. Van Dis: “Alles paste in een verhaal. Hij heeft al op vroege leeftijd besloten om een verhaal van zijn leven te maken, en dat is in zijn geval een optimistisch verhaal geworden.”

De eerste kennismaking met Mulisch’ werk was voor Van Dis Het stenen bruidsbed, de roman uit 1959 over het bombardement van Dresden in 1945. Van Dis: “Dat boek las ik op school. Sindsdien heb ik hem altijd gevolgd. Ik ging vaak in het Americain Hotel (in Amsterdam) om te kijken of hij er zat. Daar heb ik hem zien rondlopen.” Ook voor Mathijsen was dat boek haar eerste kennismaking met diens werk. “Ik woonde toen in Limburg. Mijn leraar Nederlands zei dat het een mooi boek was. Mijn broer en ik heb het toen samen gekocht. We vonden het een grandioos boek, een kennismaking met literatuur die ik op de middelbare school niet eerder meekreeg.”

Mulisch wilde eigenlijk een groot chemicus worden, aanvankelijk was hij niet van plan om schrijver te worden. “Een schrijver ben je, dat kun je niet worden,” zei hij zelf. "Je bent het of je bent het niet. Daar is geen leerschool voor." Van Dis: “Hij was een schrijver die een das droeg. Hij had de naam arrogant te zijn, maar het was een half spel. Er zit spot in. Met gevoel voor theater. Hij leek arrogant, maar dat was hij niet.“ Mathijsen: “Hij is een acteur in zijn eigen schrijversmythe. Hij heeft voor zichzelf gecreëerd dat een schrijver een belangrijk figuur is in de maatschappij. Een componist is belangrijker dan de uitvoerder. Een schrijver kan dingen openbaren die een gewoon mens niet ziet. Dat heeft hij gezien. Op die mythologie is zijn bestaan gebaseerd. Zoals Mulisch het zelf zei: “Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertje lief aan.”