steun vpro

Boeken

Bettine Vriesekoop & Jan Siebelink

In 'Duizend dagen in China' beschrijft oud-tafeltennisser Bettine Vriesekoop hoe een alleenstaande moeder met journalistieke ambities zich staande probeert te houden in het turbulente China. Schrijver Jan Siebelink vertelt over zijn bundel 'Conversaties', waarin essays over de door hem bewonderde schrijvers staan.

In 2006 werd oud-tafeltennisser Bettine Vriesekoop aangesteld als China-correspondent voor NRC Handelsblad. Samen met haar zoon vertrok ze voor drie jaar naar Peking. In het boek Duizend dagen in China beschrijft ze hoe een alleenstaande moeder met journalistieke ambities zich staande probeert te houden in het turbulente China. Hoe ga je als correspondent te werk in zo’n groot en complex land?

Tijdens haar sportcarrière stuitte Bettine Vriesekoop telkens op de suprematie van de Chinese tafeltennissers. Wat was toch het geheim van deze grootmacht? In 1980 ging ze voor het eerst naar China om er een trainingsstage te doorlopen. Vriesekoop: “Ik snapte niets van het land. Ik vond het een compleet andere planeet.” Haar nieuwsgierigheid resulteerde in een studie sinologie. Ook schreef ze twee boeken over China.

Zeven jaar na de dood van haar man kreeg ze de kans om als correspondent in China aan de slag te gaan. Vriesekoop: “Ik heb heel hard moeten werken om alles een beetje op de rit te krijgen. Helemaal in een ondoordringbaar land als China.” Alle media worden gecontroleerd door de overheid. Er is geen oppositie, geen onderzoeksjournalistiek. Het dwong Vriesekoop om zelf op pad te gaan.

Terwijl een hulp in het huishouden op haar zoon past, reisde ze het hele land door. In haar boek doet ze o.a. verslag van de onrust in Tibet, waar monniken met de Chinese oproerpolitie slaags raakten. De openheid in de media over het verloop van de hulp na de zware aardbeving in de provincie Sichuan was voor Chinese begrippen sensationeel. “Misschien wilde China in aanloop naar de Olympische Spelen ook zijn humanitaire gezicht zien als tegenwicht voor de negatieve publiciteit rond het Tibetaanse oproer,” stelt Vriesekoop. Bij de etnische onlusten in Xinjiang mocht de buitenlandse pers zelfs verslag doen van de rellen. Van dichtbij maakte Vriesekoop mee hoe China de eerste stappen naar persvrijheid zette.

Tijdens zijn studie Franse taal- en letterkunde raakte schrijver Jan Siebelink onder de indruk de van het werk van J.K. Huysmans (1848-1907), de Franse auteur van Nederlandse komaf wiens roman A rebours hij in 1975 vertaalde als Tegen de keer. Siebelinks bewondering voor Franse auteurs zou van grote invloed blijken op zijn eigen schrijverschap. Voor HP/De Tijd schreef hij in de loop der jaren essays over Franse auteurs als E.M. Cioran, Milan Kundera, J.K. Huysmans, Marcel Proust en Arthur Rimbaud. Deze schrijversportretten zijn nu gebundeld in Conversaties.

Voor Jan Siebelink was J.K Huysmans’ A rebours een soort heilsboek. Een boek dat als een meteoriet bij hem insloeg. Siebelink: “Het bevat in de kiem alle boeken die Huysmans daarna zou schrijven, het lanceert een nieuwe beweging die de geschiedenis in zal gaan onder de naam ‘decadentie’ en het maakt het publiek bekend met de symbolistische dichters Verlaine, Mallarmé en Corbière.” Op de dag dat hij de vertaling van A rebours inleverde, schreef Siebelink ’s avonds zijn eerste verhaal: Witte chrysanten. Samen met vier andere verhalen vormde dit zijn debuut Nachtschade.

De boeken van E.M. Cioran (1911-1995) omschrijft Siebelink als ‘langzaam werkend gif in verblindende verpakking’. In Conversaties staat een interview met de Frans-Roemeense filosoof, waarin Cioran volgens Siebelink een essentieel element van het schrijverschap aangeeft. Cioran: “De bronnen van een schrijver zijn zijn schaamtes. Degene die er geen ontdekt in zichzelf of er zich aan onttrekt, is gedoemd tot plagiaat of literaire kritiek.” Op Siebelinks vraag waarom Cioran nooit romans geschreven heeft, antwoordt hij: ‘Romans zijn een nauwgezet verslag van een denkproces. Ik ben alleen in staat de conclusie van een denkproces te verwoorden.”

Naast schaamte is ook het kwaad een belangrijk aspect van het schrijversschap, waarbij Siebelink verwijst naar een citaat van de Frans-Amerikaanse romanschrijver Julien Green (1900-1998): “Een roman is gemaakt van het kwaad, zoals een tafel van hout. Haal het gif eruit, en je brengt de roman om zeep. Een roman waarin de deugd zegeviert is als ‘wit op wit’: er is nauwelijks contrast.” Volgens Siebelink dient een roman vooral een overwinning op de chaos te zijn.