steun vpro

Boeken

Sayed Kashua & Paul Auster

De Palestijnse schrijver Sayed Kashua schreef met 'Tweede persoon enkelvoud' een boek over mensen die gevangen zitten tussen de Palestijnse en de Israëlische wereld. En de Amerikaanse schrijver Paul Auster is bijna 64 jaar en staat op de drempel van de winter van zijn leven. In zijn autobiografische 'Winterlogboek' stelt hij zich de vraag hoe het was om in zijn lichaam te leven, vanaf vroege herinneringen tot nu.

De 36-jarige Sayed Kashua leeft tussen twee werelden. De schrijver is een Palestijn woonachtig in het overwegend joodse West-Jeruzalem. Hij schrijft in het Hebreeuws en maakt de sitcom Arab Labour voor de Israëlische televisie over een Palestijnse familie die probeert te aarden tussen de Israëliërs en daar nauwelijks in slaagt. Zijn boeken, waaronder ook zijn nieuwste boek Tweede persoon enkelvoud, zijn columns en scripts hebben één belangrijke gemene deler; ze gaan over mensen die gevangen zitten tussen de Palestijnse en de Israëlische wereld.

Tweede persoon enkelvoud bevat twee verhaallijnen die pas tegen het einde van het boek samenkomen. De ene verteller is een gedreven Arabische strafrechtadvocaat uit Jeruzalem die in een tweedehands boek van Tolstoj een briefje aantreft in het handschrift van zijn vrouw. In het briefje bedankt de vrouw iemand voor een heerlijke avond. De advocaat is buiten zinnen van jaloezie en begint een niets ontziende zoektocht naar het verhaal achter het briefje. De andere verteller is eveneens een Palestijnse Israëliër; een jonge maatschappelijk werker die een joodse jongen verzorgt die in coma ligt. Langzaamaan wordt het verband tussen de beide verhaallijnen duidelijk gemaakt. Beide verhalen hebben gemeen dat ze als ondertoon het probleem van de Arabische identiteit in een joodse omgeving hebben.

Dit probleem wordt vrijwel onverdeeld gepersonifieerd door de auteur. Op vijftienjarige leeftijd werd hij, wegens klinkende schoolresultaten, uitverkoren om vanuit zijn Palestijnse dorpje naar een vooraanstaande joodse kostschool te gaan. Hij kende niets van de westerse cultuur, en had moeite zijn draai te vinden in een voor Arabieren vijandige omgeving. Op school leerde hij Hebreeuws, de ‘taal van de vijand’, en bleef daarin schrijven. In zijn boeken drijft hij de spot met Arabieren én Israëliërs, en analyseert hij de tragische en diepe kloof die door hun levens loopt. Door deze onderwerpkeuze wordt hij veel geconfronteerd met bevooroordeelde lezers die zijn boodschap niet begrijpen. Of niet willen begrijpen. Ondertussen probeert Kashua zelf, veelal tegen beter weten in en vooral voor zijn kinderen, optimistisch te blijven.

Paul Auster is 65 en heeft naar zijn mening de winter van zijn leven bereikt. Vrienden beginnen weg te vallen en de dingen waarvan hij nooit gedacht had dat ze hem zouden overkomen zijn hem toch overkomen. Zoals het hoort. Tijd voor reflectie en de ordening van herinneringen. Op een winterdag in januari 2011 begon hij op zijn werkkamer in Brooklyn daarom aan zijn eerste autobiografische werk; Winterlogboek.

Auster heeft er geen conventionele biografie van gemaakt. Het is een logboek geworden van hoe het de afgelopen 65 jaar was om in zijn lichaam te wonen. Ongemakken, wonden, ongelukken en lichamelijke sensaties worden uitvoerig beschreven in Winterlogboek. Hij schreef het in de tweede persoon. Dat verschafte hem enkele vrijheden die een schrijver van een conventionele biografie zich niet kan permitteren. Zo kon hij een soort intieme dialoog met zichzelf aangaan, en zodoende op zijn eigen daden en gedachten reflecteren. Verder heeft hij door het kiezen van dit afstandelijke perspectief een soort ‘verhaal van iedereen’ gecreëerd. In plaats van een beschrijving van het leven van Paul Auster werd het op die manier een verhaal van iedereen en van niemand. Volgens de schrijver is het geen diep filosofisch werk geworden, meer een fenomenologie van het leven tot nu.

Winterlogboek is non-lineair opgebouwd. De ene alinea is Auster twaalf, de andere vijftig. Verschillende levensperiodes worden naast elkaar en door elkaar beschreven. Hoewel biografisch gaat het dan ook niet om chronologie, het gaat voornamelijk om lichamelijkheid. Zo vertelt Auster openhartig over de ingrijpende paniekaanvallen die hij kreeg toen zijn moeder stierf. Deze hevige aanvallen leerden hem dat een lichaam de persoon die erin leeft op ieder moment onverwacht en grondig kan verraden. De aard en kern van dat verraad was de auteur destijds een groot mysterie. En dat is het nog steeds, ook na het schrijven van het boek. Want schrijven verandert uiteindelijk niets wezenlijks aan een leven. Ook het opschrijven van herinneringen niet. Het enige verschil is dat het dan opgeschreven is, meer niet.