steun vpro

Boeken

Wytske Versteeg & Anton Blok

Schrijfster Wytske Versteeg laat in haar tweede roman 'Boy' een moeder aan het woord die door de dood van haar geadopteerde zoon steeds meer vervreemd raakt. En met 'De vernieuwers' laat cultureel antropoloog Anton Blok zien dat tegenslag voor veel radicale vernieuwers een zegen is geweest. Wim Brands praat met beiden.

Wytske Versteeg laat in haar tweede roman Boy een moeder aan het woord over de dood van haar veertienjarige, geadopteerde zoon. Terwijl haar leven langzaam uiteenvalt, zet ze alles op alles om achter de toedracht van zijn dood te komen.

De roman begint met de vermissing van Boy. Tot een agente op een dag de moeder slecht nieuws komt brengen: Boy is dood teruggevonden. Hij is verdronken in zee tijdens een klassenuitje naar het strand met dramadocente Hannah. Men denkt aan zelfmoord, omdat de jongen op school werd gepest, maar Esther, zijn moeder, weigert dat te geloven en wil de ware toedracht achterhalen.

De moeder, die door haar verdriet van haar man (en omgeving) is vervreemd, gaat zelf op onderzoek uit. En zint op wraak: 'Wat ik zoek is een waarheid die mijn lichaam kan vullen; wat ik zoek is een wraak die de hunkering naar mijn kind kan stillen.' Ze bevraagt de vrienden en klasgenoten van Boy en heeft het vermoeden dat er tijdens de dramalessen van Hannah iets is voorgevallen. Ze besluit haar op te zoeken in Bulgarije, waar Hannah na Boys dood naartoe is verhuisd - wat haar extra verdacht maakt.

Wat opvalt in de roman is het onvermogen van de personages. De moeder is psychiater van beroep, maar heeft maar weinig meegekregen van het leven van haar zoon. En in de communicatie is ze kil en afstandelijk. Versteeg: 'Ze valt overal buiten, omdat ze alleen in de rouw zit. Ze is iemand die het graag goed wilt doen, maar juist daardoor alles kapot maakt. Ze is hard geworden door perfectionisme.' Ook op Hannah is er volgens Versteeg het een en ander aan te merken: 'Ze kan de klas niet aan. Ze kan het machtsspel niet aan.'

Intelligentie en opleiding zijn zelden de doorslaggevende factor voor belangrijke doorbraken in de wetenschap en kunst. In het boek De vernieuwers toont cultureel antropoloog Anton Blok aan dat radicale vernieuwers als Copernicus, Flaubert, Darwin, Spinoza, Freud, Beethoven en Einstein iets anders gemeen hadden: tegenslag.

In de afgelopen tien jaar nam Blok de biografieën van toonaangevende wetenschappers en kunstenaars door. Met in het achterhoofd steeds dezelfde vraag: Waarom is het juist deze mensen gelukt om een belangrijke doorbraak te bewerkstelligen? Door vergelijkend onderzoek, met behulp van een collectieve biografie, kwam hij tot de ontdekking dat tegenslag, falen, sociale buitensluiting én toeval een cruciale rol speelden bij hun grootste prestaties.

Radicale vernieuwers zijn veelal afkomstig uit disfunctionele families, stelt Blok. Hun leven is getekend door het verlies van ouders of andere geliefden, door misbruik of armoede. Ook lichamelijke tekortkomingen en afwijkingen spelen een rol. Al deze vormen van tegenspoed, die vaak in combinatie optreden, resulteren in sociale buitensluiting.

Buitensluiting dwingt tot onafhankelijk denken en schept afstand. Blok: 'Inzicht komt met kritische afstand.' Maar ze kunnen het niet alleen. Vaak krijgen ze hulp van een mentor, een sympathisant of een beschermer. En het gaat om het benutten van kansen, stelt Blok. 'Beslissend is het nemen van kansen en het geluk hebben die kansen te kunnen verzilveren.'