de grote trek van chinezen en afrikanen

Katja de Bruin ,

In 'Op de vleugels van de draak' gaat schrijfster Lieve Joris op zoek naar Afrikanen in China en Chinezen in Afrika. ' Wat gebeurt er als je in een relatie zit waarin het koloniale verleden niet speelt?' Zondag is ze te gast bij Wim Brands in Boeken.

lieve joris in bureau buitenland

Mogen we u voorstellen aan Abu? Geboren in Kenia, achtentwintig jaar en vlekkeloos in zowel Arabisch, Swahili als Chinees. Abu’s beide grootvaders waren Jemenieten die zich vestigden aan de Afrikaanse oostkust, waar ze trouwden met Arabisch-Afrikaanse vrouwen. De vader van Abu nam zijn gezin mee naar Dubai, waarna Abu in China zou gaan studeren. Nu runt hij een containerbedrijf vanuit Guangzhou, maar in de toekomst wil hij in Tanzania een fabriek voor spaar-en ledlampen beginnen. Hij rekent erop dat Europeanen zijn handel maar al te graag zullen afnemen, om zo hun koloniale schuldgevoel af te kopen.

Abu is een van de vele intrigerende figuren die het nieuwe boek van Lieve Joris bevolken. Zijn verhaal is exemplarisch voor de complexe relatie tussen Afrika, China en Europa die Joris onderzoekt in Op de vleugels van de draak. Wie haar de afgelopen decennia een beetje gevolgd heeft, weet dat ze veel in Afrika en het Midden-Oosten heeft gereisd. Toen het VPRO-programma Bureau Buitenland haar onlangs uitnodigde, konden ze het met haar zowel over de opstand in Mali als over die in Syrië hebben. Maar in China was Joris in al die jaren nog nooit geweest.

schuldgevoel

‘Ik had vier boeken over Congo geschreven’, vertelt Joris op de vraag waarom ze nu toch in China belandde. ‘Tijdens mijn eerste reis, in 1985 was de hulpindustrie er nog nauwelijks aanwezig. Toen werd het oorlog en zag ik overal vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties rondrijden in grote auto’s. Duizenden waren het er, en ik had niet het gevoel dat het land er veel beter van werd. Na een aantal jaren was het alsof ik op een rotonde stond; ik draaide maar rond zonder te weten hoe ik eruit moest komen.

Totdat ik in het binnenland van Congo twee Indiërs zag opduiken die daar op een heel moeilijk moment in de geschiedenis een winkel openden. Ook zag ik Congolezen die door de oorlog afgesloten waren van de hoofdstad en met z’n tienen geld bijeen legden zodat een van hen naar Dubai kon vertrekken. Dit waren mensen met een plan, die niet aanklopten bij hulporganisaties maar zelf een oplossing zochten.

Ik behoor weliswaar niet tot de generatie die gekoloniseerd heeft, maar ik heb het schuldgevoel van die generatie wel meegekregen en daar doen sommige Afrikanen graag een beroep op. Zodra ze ons zien, trekken ze een zielig gezicht want ze weten dat ze daar het verst mee komen. Ik dacht: Wat gebeurt er als je in een relatie zit waarin dat verleden niet speelt?

De complexe en ook wel intieme verhouding tussen de vroegere kolonisator en de gekoloniseerde, hoe kijkt een Chinees, die geen verleden heeft in Afrika, daar tegenaan? En wat gebeurt er met de Afrikaan die in China terecht komt en zich temidden van mensen bevindt die geen schuldgevoel hebben?’

bedrijvigheid

Zoals altijd liet Lieve Joris zich leiden door de mensen die haar pad kruisen. Op de vleugels van de draak begint in de winkel van de Indiase broers Sachin en Vishal Duseja, in het oude centrum van Dubai. Van daaruit reist ze naar Guangzhou, in het voetspoor van vele duizenden Afrikanen. Deze stad heeft niet alleen een vertrouwd tropisch klimaat, er heerst ook een grote bedrijvigheid. Afrikanen kopen in China gemaakte spullen en verschepen die in containers naar hun thuisland. Er verblijven naar schatting rond de 200.000 Afrikanen in Guangzhou, van wie 20.000 min of meer permanent.

‘Ik was geïnteresseerd in die dynamiek. Vroeger hadden alleen Libanezen en Indiers winkels in het Congolese binnenland. Ook werd de markt overspoeld door spullen die zogenaamd uit Nigeria kwamen. Totdat een Congolees ontdekte: hé, dat komt helemaal niet uit Nigeria maar uit China en besloot het voortaan zelf te gaan halen.‘

Tot voor kort wilden Afrikanen het liefst naar Europa, maar de verhoudingen beginnen te verschuiven. Een visum voor China krijgen is gemakkelijker, en het is er goed handel drijven. Andersom wordt er in Afrika veel gebouwd en ontwikkeld met Chinees geld. Ondernemende Chinezen verruilen hun vieze industriesteden maar al te graag voor de blauwe luchten in Afrika. Joris reisde met Afrikanen door China en met Chinezen door Afrika. Zo werd dit verhaal uiteindelijk ook een verhaal over immigratie en globalisering. Maar dan wel op menselijke schaal. Joris laat zien dat er, naast enorme culturele verschillen, ook overeenkomsten zijn.
 

samenzijn

‘Ik heb verschillende Afrikanen ontmoet die getrouwd zijn met Chinese meisjes. Als zij een nieuwe auto willen kopen, denkt de hele Chinese familie daarover mee. Dat zou in Afrika precies zo gaan. De manier waarop veel Chinese families functioneren is voor Afrikanen heel herkenbaar.

Zelf heb ik een groot deel van het boek in China geschreven. Acht maanden heb ik er gewoond, in het huis van een Chinese vriend. Hij leefde daar met zijn oude moeder. Op een gegeven moment kwam zijn vrouw over uit Zuid-Afrika, en zijn nicht uit Shanghai. Dan klonk beneden me het gekletter van mahjongstenen op, en hoorde ik ze lachen. Het plezier van samenzijn, een beetje door het huis scharrelen, de dingen die mensen doen als ze blij zijn in elkaars gezelschap te zijn, het deed me denken aan hoe het vroeger bij mijn grootmoeder was. Ik voelde me daar als een visje in het water. Je denkt dat Chinese steden heel groot en onpersoonlijk zijn, maar je kijkt even een straatje binnen en daar zit een oude man in zijn pyjama. Die is daar neergezet omdat dat voor hem leuker is. Dan kan hij een praatje maken met voorbijgangers. Afrikanen herkennen dat soort taferelen van thuis.’

Toch is het voor veel Afrikanen niet eenvoudig te aarden in China. Afrikaanse studenten die dankzij een beurs aan een Chinese universiteit kunnen studeren, worden dag in dag uit aangestaard en nagewezen. ‘Het is alsof ze nooit aan je gewend raken. Ze lachen je uit, grijpen de arm van de persoon die bij ze is en zeggen: “Kijk daar, een zwarte!”’, vertelt de Ivoriaanse Joseph.

aapje

‘Het is nog niet zo lang geleden dat China is opengegaan’, zegt Joris. ‘Veel mensen hebben totaal geen contact gehad met de buitenwereld. In de metro in Peking zaten mensen soms ook naar me te staren alsof ik een aapje was. Mensen komen van het platteland naar de stad en wat zien ze in de metro? Iemand uit Europa! Nou, dan gaan ze er eens goed voor zitten om je onbeschaamd aan te gapen.

Er zijn Afrikanen die nooit aan die blikken zullen wennen, terwijl anderen er alleen maar om moeten lachen. Wij hebben geleerd over een heleboel dingen politiek correct te denken. Daar hebben de Chinezen geen last van. Niemand heeft hun gezegd dat ze niet naar vreemdelingen mogen wijzen.

Zelf zat ik vroeger in de kerk ook het liefst achter een donkere jongen die bij ons in het dorp woonde. Ik raakt niet uitgekeken op zijn oren, net chocoladeschelpjes, en op zijn kroeshaar. Die blik op de ander moet ergens beginnen.’

Veel Afrikaanse studenten voelen zich niet serieus genomen. De Chinezen willen hen vooral te vriend houden omdat er geld valt te verdienen in Afrika. Zo worden studenten uit het olierijke Sudan flink in de watten gelegd. ‘Als Europeanen je iets geven is het echt: een echt diploma, een echt gebouw, een echte weg – niet iets tweede- of derderangs, zoals de Chinezen,’ verzucht de Rwandese Franck.
 

onwetendheid

Ook hier is Joris hoopvol gestemd: ‘Het feit dat deze jongen dat tegen mij zei, betekent dat hij het probleem in feite al aan het oplossen is. Iemand die zegt: o, ik heb toch maar mooi een Chinees diploma gehaald, houdt het probleem in stand. Maar wie zich belazerd voelt als hij zijn examen niet goed heeft gemaakt en toch een hoog cijfer krijgt, ambieert een gelijkwaardiger verhouding. Een jonge Rwandees vertelde me dat hij zich geïntimideerd voelde door de musea in Parijs, door het Paleis van Versailles. De Europese geschiedenis schrikte hem af door haar ouderdom, maar in China zag hij hoeveel er in slechts vijftien jaar veranderd was, en hij dacht: waarom zouden wij Afrikanen dat niet kunnen? Dat zette hem aan het denken.’

Het is fascinerend om te zien hoe al die Malinezen, Rwandezen, Gabonezen, Burundezen, Nigerianen en Namibiërs hun weg vinden in China. En hoe hun aanwezigheid de Chinezen iets leert over de rest van de wereld. De onwetendheid is schokkend. Chinezen die denken dat iedereen die in Afrika woont vanzelf zwart wordt, die echt geloven dat Afrikanen zwart zijn omdat ze zich nooit wassen, die vragen of het waar is dat alle Afrikanen in bomen leven. ‘Jazeker leven wij in bomen,’ zegt de Rwandese Franck dan, ‘en je weet toch dat China een ambassade heeft in Rwanda? Wel, de Chinese ambassadeur woont drie bomen bij ons vandaan.’

Maar er zijn ook Chinezen die zich wel verdiepen in de Afrikaanse cultuur. Zoals zakenman annex kunstverzamelaar Guo Dong, in wiens huis vitrinekasten staan vol Afrikaanse maskers en vruchtbaarheidsbeelden. En de sympathieke professor Li Baoping die een Kameroense treincontroleur die hem geld afhandig probeert te maken, een lesje in confucianisme geeft.

‘Ik was bang dat ik geen contact zou krijgen met Chinezen, waardoor ik niet in staat zou zijn over ze te schrijven als mensen die zich soms klein, kwetsbaar en droevig voelen, al die dingen waardoor je als lezer met ze mee kunt leven. Ik ben blij dat ik daar toch in geslaagd ben, dat sommige Chinezen de deur van hun hart voor me geopend hebben.’
 

Boeken: 6 oktober, Nederland 1, 11.20 uur