De blik van China is ook in de mijne gevaren

Katja de Bruin ,

De met 7500 euro gedoteerde VPRO Bob den Uyl Prijs, de prijs voor het beste reisboek, is dit jaar voor Lieve Joris met Op de vleugels van de draak.

In het binnenland van Rwanda worden wegen aangelegd door Chinezen. Tot voor kort aten die de loslopende honden die hun pad kruisten gewoon op, maar inmiddels hebben ze geleerd dat de Rwandezen het niet op prijs stellen dat Chinese wegenbouwers met hun waakhonden aan de haal gaan.

Het is een van de vele verhalen die Lieve Joris optekende in Op de vleugels van de draak. Daarin onderzoekt ze de nieuwe verhouding tussen China en Afrika. Steeds meer Chinezen en Afrikanen zwemmen elkaars territorium binnen om van elkaar te profiteren, maar ook om van elkaar te leren. In haar boek laat Joris zien hoe globalisering op menselijke schaal eruit ziet. Ze won er de VPRO Bob den Uyl Prijs mee. Lieve Joris kan schrijven in een provinciestadje in China, of in de abdij bij Brugge. In het Congolose Kisangani schreef het ook fijn, en vorige maand heeft ze zitten werken in Andorra. Maar thuis, in Amsterdam?

Lieve Joris: ‘Wat heb ik hier als ik naar buiten stap? De Hema, het Kruidvat. Nu het zo groen is gaat het wel, maar eigenlijk hou ik niet erg van de stad. Een park is zo kunstmatig, en op een balkon voel ik me echt een stadskip. In Kisangani liep ik tussen het schrijven door af en toe even naar de rivier de Tshopo aan het einde van mijn tuin; aan de overkant krijsten apen en papegaaien in het evenaarsbos. In de abdij bij Brugge zat ik midden in de velden. De boer met zijn paard, de geur van mest, aardbeien in het seizoen. Ik ben een dorpsmeisje, de behoefte aan ruimte om me heen zit blijkbaar heel diep.’

Op de vleugels van de draak schreef ze grotendeels in China, een land dat ze niet kende. ‘Ik wist meteen dat ik dit boek in China wilde schrijven. Ik moest woorden zetten op een nieuw landschap, op nieuwe gezichten. Daarvoor moest ik niet in Amsterdam zijn, waar ’s middags de belastingbrief op de mat valt of waar mijn man zijn kop om de deur steekt om te vragen wat we die avond zullen eten. De foto moet zich kunnen fixeren en dat gebeurt doorgaans het best als je in het land bent waarover je schrijft. Ik heb acht maanden doorgebracht in Jinhua, een relatief kleine stad in het binnenland, waar een Afrika-instituut gevestigd is. ­Iedereen denkt dat in China alles zo modern is, maar daaronder gaat het oude leven verder. Mannen met paard en wagen komen naar de markt met een vracht meloenen, vrouwen bieden groenten te koop aan op een zeiltje op de grond. Daaromheen zitten ze de hele dag te praten. Net als in Afrika.’

Lieve Joris (Foto: Maartje Geels)

Frustratie

Steeds meer Afrikanen trekken naar China om daar handel te drijven, maar ook om te kijken hoe de Chinezen hun zaken aanpakken. Andersom investeren Chinezen fors in bedrijven en projecten in Afrika. Inmiddels bedraagt de bilaterale handel al zo’n 200 miljard dollar. De keuze van Joris voor dit onderwerp kwam echter niet voort uit economische belangstelling, maar uit frustratie over wat niet-gouvernementele organisaties in Afrika aanrichten.

‘Mensen zijn geconditioneerd door de behoeftige Afrikaan, ze zijn niet gewend te kijken naar Afrikanen die zelf iets ondernemen, die huizen en winkels bouwen met airconditioning, die in steeds betere auto’s rondrijden. Je ziet ze groeien, maar daar wordt aan voorbijgegaan omdat we zo gefocust zijn op corrupte regimes en de behoeftige Afrikaan. Ook over de Chinezen bestaan veel vooroordelen. Zelfs nadat ze mijn boek gelezen hebben, zeggen mensen dat de Chinezen zich in Afrika gedragen als de nieuwe kolonisator, al probeer ik dat beeld te nuanceren. Weer dat paternalisme: ze vinden dat wij ons in die discussie moeten mengen en de Afrikanen moeten waarschuwen – alsof we dat onderhand niet aan de Afrikanen zelf kunnen overlaten.

In het Westen denken wij vaak dat de enige manier om dingen te doen de onze is. Dan let je dus niet op wat er intussen allemaal al gebeurt. Je kijkt niet naar de Afrikanen die bezig zijn hun leven op de rails te zetten. Niet-gouvernementele organisaties zijn al decennia lang het wiel aan het uitvinden. Ze zetten ergens een gebouwtje neer waar ’s ochtends een lange rij mensen staat te wachten, want daar is het paradijs. Graaien in de schatkist van het schuldgevoel, noemt Ellen Ombre dat. Daarbinnen is airconditioning en internet, en ’s avonds ga je met je grote auto naar huis en lig je in je hangmat met je glaasje wijn. Terwijl je eigenlijk geen idee hebt wat er in Congo buiten je eigen wereldje gebeurt. Onlangs sprak ik iemand die in Afrika bij de Verenigde Naties had gewerkt en net ontslag had genomen. Ze zei: “We doen daar helemaal niks. Sommigen zitten de hele dag te facebooken.” Maar de meesten nemen geen ontslag, want het verdient natuurlijk goed.’

Aanstekelijk

Al in 1999 zag Joris hoe de handel tussen Chinezen, Arabieren en Afrikanen sterk toenam. Tien jaar later belandde ze via Dubai in Guangzhou, een handelsstad in het hart van een regio waarvandaan 70 procent van alle Chinese exportproducten wordt verscheept. Een groot aantal Afrikanen heeft zich, al dan niet permanent, gevestigd in een deel van de stad dat ook wel Chocolate City wordt genoemd.

‘De avonden in Guangzhou behoren tot de mooiste momenten die ik op mijn reis heb meegemaakt. Overdag hadden ze hard gewerkt, nu gingen Afrikanen na een douche de straat op. Een halve ananas op een stokje, de geur van houtskool en gebraden vlees. Ze mengen zich met Chinezen die vaak uit het binnenland zijn gekomen om hun geluk te zoeken aan de oostkust. De sfeer die daar heerste was enorm aanstekelijk.

Zoiets had ik wel nodig na zoveel jaar in Congo. Soms raak je ongeduldig; je zou zo graag vooruitgang willen zien. Maar in China sprak ik oude Afrikakenners die zeiden: Maar mevrouw, dat land is nog zo jong, het is pas zestig jaar oud. Eigenlijk hebben ze gelijk. Wij hebben de grenzen gecreëerd en ze daarmee achtergelaten. Het zijn hele nieuwe landen. Als je ziet wat voor oorlogen wij hebben gekend voor we geworden zijn wie we vandaag zijn. Die blik van China is ook in de mijne gevaren. Als ik terugkijk is dat een onverwacht, maar mooi neveneffect. Ik ging er naartoe als westerling, maar heb mijn blik enigszins bijgesteld.’

Extended family

Vijf jaar heeft ze gewerkt aan dit boek. Nu wordt het tijd voor iets nieuws.
‘Als ik heel lang met iets bezig ben geweest, ga ik een tijdje overal rondkijken en vrienden opzoeken. Ik ben net in Dubai geweest, bij Hala, het hoofdpersonage uit De poorten van Damascus. In juni vorig jaar is ze Syrië ontvlucht. Volgende maand ga ik naar Kaapverdië om François op te zoeken, een vriend die in enkele van mijn Afrika-boeken voorkomt. Ik denk dat ik binnenkort ook weer eens naar Mali ga, om te zien hoe de oorlog in het noorden daar beleefd wordt. Ik zoek mijn extended familie op en ergens onderweg komt er doorgaans wel weer een nieuw idee voor een boek voorbijzeilen. Als ik iets nieuws ga doen, ben ik algauw vier of vijf jaar bezig, dus het moet wel een geschikt onderwerp zijn. Ik probeer van mijn traagheid mijn sterkte te maken.

Lieve Joris: Op de vleugels van de draak (AtlasContact)