nieuwe site?

Met dank aan geesten en schimmen

Interview met Apichatpopng Weerasethakul

Gerhard Busch ,

Met Uncle Boonmee, goed voor een Gouden Palm in Cannes, maakte Apichatpong Weerasethakul een film waarin goedaardige geesten voorkomen. In Thailand kijkt daar niemand van op. Zelf zegt de regisseur niet in geesten te geloven.

De Thaise regisseur Apichatpong Weerasethakul (1970) was – net als het overgrote deel van de aanwezige filmpers in Cannes – nogal verrast toen zijn film Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives er afgelopen mei met de Gouden Palm voor beste film vandoor ging. De in de regel rustige en bescheiden regisseur werd er zelfs een beetje giechelig van.


Apichatpopng Weerasethakul op de set van Uncle Boonmee

Hij riep: ‘ Ik zou de hele jury wel kunnen kussen. Vooral de voorzitter, Tim Burton. Ik ben gek op uw haar!’ En: ‘Ik wil ook de geesten en schimmen in Thailand bedanken. Zonder hen had ik deze film nooit kunnen maken.’

Dat laatste had ook nog serieus bedoeld kunnen zijn, want geesten spelen in Uncle Boonmee een belangrijke rol. De film, net als Weerasethakuls vorige films niet eenvoudig te beschrijven, gaat over een stervende man, de Uncle Boonmee uit de titel, die zich terugtrekt in de jungle en daar verschillende ontmoetingen met geesten heeft.
Met zijn dode vrouw, bijvoorbeeld, die bij hem aanschuift aan tafel. Of met zijn overleden zoon, die inmiddels een soort aapgeest is en rode, lichtgevende ogen heeft. En o ja, er is ook nog een episode in de film waarin een sprekende vis, een zeewolf, bij een prinses naar binnen dringt om haar te bevruchten.

Begin september was Apichatpong Weerasethakul even in Nederland. Sinds de Gouden Palm in Cannes reist hij de hele wereld over, zijn film achterna. De beste reacties kreeg hij, naar eigen zeggen, in zijn geboorteland Thailand. Weerasethakul: ‘Dat was het allereerste land waarin Uncle Boonmee werd uitgebracht, en ook al is het maar in één bioscoop, de film trekt al wekenlang volle zalen. En er wordt druk over gediscussieerd op het internet.’

Zijn de vragen in Thailand anders dan in het Westen?
Apichatpong Weerasethakul: ‘In het Westen zijn journalisten altijd benieuwd naar de geesten, maar in Thailand, waar het geloof in geesten heel gewoon is, worden die vragen nooit gesteld. Daar gaat het meer over mijn manier van films maken, over de acteurs en mijn politieke standpunten.’

Is het omdat geesten thuishoren in de Thaise cultuur dat ze in de film zo vriendelijk en kalm zijn?
‘Ik denk dat mijn geesten cinefiele geesten zijn. Het zijn geesten uit oude Thaise films, geesten die er toen net als gewone mensen uitzagen. Er was vrijwel geen grens tussen dood en levend. Het was toen heel gewoon dat een dode echtgenote terugkwam om voor haar man te koken. Maar dergelijke geesten zie je niet meer in Thaise films. De geesten zien er nu allemaal net zo uit als in Amerikaanse films. Eng, en met veel harde muziek.’

Ik ga de vraag toch maar stellen: gelooft u in geesten?
‘Nee, ik geloof niet in geesten… Al heb ik er wel bepaalde ervaringen mee.’

U heeft een geest gezien ?
‘Ja, maar dat was niet erg concreet en ik heb er ook niet mee gecommuniceerd.’

Kunt u die ervaring beschrijven of is dat te persoonlijk?
‘Ik was in mijn kamer aan het werk en net als in een horrorfilm begonnen er honden te janken. Het geluid kwam steeds dichter bij mijn raam. Ik woon op de tweede verdieping en ineens trekt er een heel sterke wind langs mij heen. En dat terwijl het gordijn van mijn raam helemaal slap hing. Nadat de wind voorbij was getrokken werden de honden aan de linkerkant stil, en begonnen er honden aan de rechterkant te huilen.
Dat was het. Niet concreet, en ik kan dus niet zeggen dat ik geloof, maar in Thailand groei je op met het idee dat er overal onzichtbare wezens zijn. In de bomen, in je huis. Rationeel geloof ik niet in geesten, maar ik kan mijn verleden niet uitschakelen .’

U had het net over de Thaise cinema, en ik begrijp dat de film ook een ode is aan die Thaise cinema. Dat haalde ik er niet direct uit…
‘De klassieke Thaise cinema is dood, of op zijn minst stervende, net als Boonmee. We vertellen nog wel onze eigen verhalen, maar de taal van de cinema is overal ter wereld dezelfde geworden. Mijn film is verdeeld in zes blokken van ongeveer twintig minuten, waarin telkens een bepaalde stijl van film maken centraal staat. Het eerste blok is geschoten in mijn eigen stijl: documentair, en een beetje mysterieus en donker.
Het tweede blok is juist heel klassiek opgenomen. Met een bepaalde belichting en een heel klassieke manier van acteren. En de scène met de zeewolf en de prinses gaat terug naar herinneringen die ik heb aan de sprookjes die ik vroeger op televisie zag.’

En daar heeft u een beetje mee gespeeld…
‘Ik heb het met iets anders vermengd.’

Wat precies, want we zie nu hoe de vis bij haar naar binnen zwemt?
‘Dat bevruchten was voor mij achteraf niet zo heel belangrijk. Ik heb nog een scène weggehaald die we hadden geschoten, waarin we zien hoe de prinses gaat bevallen en bang naar beneden kijkt omdat ze niet weet wat ze ter wereld zal brengen. Want daar ging het me niet om. Ik wilde laten zien dat zij zich niet thuis voelt in haar lichaam. Ze is mismaakt en hoopt dat ze door haar lichaam te offeren een nieuw gezicht zal krijgen. En dat past ook weer bij de aapgeest. Die heeft ook het gevoel dat hij nergens thuishoort.’

De aapgeest trekt zich terug in de jungle. De jungle die ook in uw eerdere films een grote rol speelt. Hoe belangrijk is de jungle voor u?
‘De jungle is mijn thuis. Mijn voorouders leefden daar in grotten. Tegenwoordig zijn we bang voor de jungle. We schrikken van de geluiden. Maar ooit was het ons thuis, en daarom gaat Boonmee in de film terug naar een grot. Waar hij geboren is.’



U gebruikt in de film weinig close-ups. Waarom?
‘Voor mij is een close-up hetzelfde als een mediumshot. Mijn cameraman weet inmiddels dat ik, als ik close-up zeg, eigenlijk een medium-shot wil, en bij een medium-shot wil ik alleen nog heel kleine poppetjes zien.’

Maar film is toch inzoomen op de ogen, zo hebben veel regisseurs mij verteld?
‘Close-up is iets voor de televisie. Ik zie mijn films wel eens terug op dvd, maar dat werkt niet. Veel te klein allemaal. Ik maak films voor het grote scherm . En dan kan je ook de ogen zien.’