filmjaar 2016

India’s groeistuipen

Salman Rushdie over Midnight’s Children

Gerhard Busch ,

Na twee gestrande eerdere pogingen is er nu dan toch een verfilming van Midnight’s Children van Salman Rushdie. ‘Inmiddels weet ik dat er heel veel manieren zijn waarop een film niet gemaakt kan worden.’

In juni 2008, tijdens de promotietour voor zijn boek The Enchantress of Florence, is Salman Rushdie even in Toronto. Filmmaakster Deepa Mehta, die in Toronto woont en net als Rushdie in India geboren is, zoekt hem op en vraagt wie de filmrechten voor zijn Booker Prize-winnende roman Midnight’s Children (1981 ) heeft, want ze wil het boek graag verfilmen. De rechten blijken bij Rushdie zelf te liggen, en hij stemt in met de verfilming.

‘Opnieuw,’ vertelt de schrijver ruim vier jaar later tijdens de wereldpremière van de film in datzelfde Toronto, ‘want daarvoor waren er al twee eerdere pogingen gedaan om mijn boek te verfilmen. De eerste vrij kort nadat het was verschenen. De producers van Richard Attenboroughs wereldhit Gandhi hadden daar heel veel geld mee verdiend en waren op zoek naar een nieuw project. Dat moest mijn boek worden. Maar zij wilden bepaalde politiek passages uit mijn boek halen, vooral die waarin ik het toenmalige beleid van Indira Gandhi aan de kaak stel. Waar ik natuurlijk niets voor voelde.’



Begrijpelijk dat Rushdie zich niet liet vermurwen, want in Midnight’s Children vertelt hij de geschiedenis van het moderne India, en daarbij hoort ook het in 1975 uitroepen van de noodtoestand door Indira Gandhi. Het symboliseert immers de groeistuipen van India, die in het boek centraal staan aan de hand van de levens van de Midnight’s Children: een groepje kinderen die allemaal geboren zijn in de nacht van 15 augustus 1947, de dag dat India onafhankelijk werd van Groot-Brittannië.

‘Later heeft de BBC nog geprobeerd er een vijfdelige miniserie van te maken,’ vervolgt de schrijver, ‘maar ook dat ging uiteindelijk niet door. Inmiddels weet ik dat er heel veel manieren zijn waarop een film niet gemaakt kan worden. En dat als potentiële geldschieters zeggen dat ze het boek fantastisch vinden, je script geniaal, Deepa een meesterregisseur, en dat ze alles zullen doen om te zorgen dat je film gemaakt gaat worden… dat ze dan eigenlijk bedoelen: hallo.’

Afdalen in de hel
De film kwam er uiteindelijk toch, en Rushdie wil het in Toronto aanwezige groepje filmjournalisten er graag over vertellen. Over de samenwerking met Deepa Mehta, bijvoorbeeld: ‘Op de allereerste dag dat we besloten samen te werken, hebben we alletwee een lijstje gemaakt met scènes uit het boek die wat ons betreft in de film moesten komen. We wisselden de lijstjes uit en wat bleek: we hadden vrijwel precies de zelfde scènes! Het scheelde er maar een of twee.’



Een van die scènes leverde toch nog een korte machtstrijd op. ‘Ik wilde heel graag het “jungle- hoofdstuk” in de film. Je weet wel, waarin Saleem tijdens de oorlog met Bangladesh verdwaalt in de jungle. Ik vond die scène belangrijk omdat we met een epische film bezig waren, en in elke epische film moet de held even afdalen in de hel. Maar Deepa vond het niet nodig. Ik kreeg haar zover dat ze die scène toch zou opnemen, maar daags voor de opnamen belde ze me op. Dat ze de scène zou opnemen als ik er op stond, maar dat ons dat een kwart miljoen dollar zou kosten, en veel tijd en energie. Omdat we niet veel geld hadden en de opnamen toch al niet eenvoudig waren, heb ik eens diep ademgehaald en gezegd: vooruit, laat maar zitten. En als ik de film nu terug zie, mis ik die scène niet . En zo heb ik dus een kwart miljoen verdiend met iets wat ik helemaal niet mis . Haha.’

Waarzegger
Rushdie sprak zelf de vertelstem in van Saleem, en er was nog even sprake van dat hij ook een klein rolletje in de film zou spelen.

‘Ik heb altijd gedacht dat ik de rol van de waarzegger moest spelen. Die aan de moeder van Saleem, als ze nog zwanger van hem is, vertelt welke toekomst haar zoon te wachten staat. Het leek me zo toepasselijk, omdat wat hij haar vertelt zo’n beetje het verhaal van de film is, en ik de schrijver van dat verhaal ben.
We hebben die scène ook opgenomen, maar er meteen weer uitgehaald. Want in die scène moet alle aandacht gaan naar de moeder, die helemaal van slag is van wat haar ongeboren zoon allemaal te wachten staat. Het laatste wat je wilt is dat het publiek op zo’n moment denkt: hee, is dat niet Salman Rushdie?
En zo ging er weer een kans verloren, want ik had al eerder bijna een rol gespeeld in een film. Ik was namelijk gevraagd voor wat toen nog Ongetitelde Will Ferrell NASCAR Film heette en later Talladega Nights werd. De producers van die film waren namelijk op zoek naar een drietal bekende gezichten die je absoluut niet achter het stuur van een raceauto zou verwachten. Dat zouden Lou Reed, Julian Schnabel en ik moeten worden. We zouden allemaal in een racepak gehesen worden, en dan in slowmotion naar onze auto’s lopen. Maar uiteindelijk kon geen van ons tijd vrij maken en is ook dat niet doorgegaan. Wat ik nog steeds jammer vind.’

Fatwa
Dat Rushdie een bekend gezicht is, heeft alles te maken met het feit dat in 1989 de Iraanse ayatollah Khomeini een fatwa over de schrijver uitsprak, vanwege diens boek The Satanic Verses. Waarna Rushdie jarenlang ondergedoken heeft gezeten. Over die periode heeft hij nooit veel willen zeggen, totdat op 18 september 2012 het autobiografische boek Joseph Anton verscheen. Tijdens ons gesprek in Toronto (tien dagen eerder, op 8 september), mag hij van de uitgever eigenlijk niets over het boek zeggen, maar Rushdie kan zich niet inhouden.

‘Ik heb heel lang gewacht met dat verhaal te vertellen. Ik moest eerst genoeg afstand nemen van die periode, zodat ik er enigszins objectief over kon schrijven. Het mocht geen emotioneel getetter worden. Je weet wel, zo’n aflevering van Oprah. Het gaat trouwens niet alleen over de jaren na de fatwa, maar ook over de jaren ervoor. Ik had eerlijk gezegd nooit gedacht dat ik een autobiografie zou schrijven, want de reden dat ik begon met schrijven was niet dat ik over mijn eigen leven, maar juist over dat van anderen wilde schrijven.’

En kijkt hij nog wel eens over zijn schouder, bang dat Khomeini’s strijders hem eindelijk gevonden hebben?
‘Niet echt. Het is trouwens een vraag die alleen journalisten nog aan mij stellen. Het is nu ruim tien jaar geleden dat de beveiliging kon worden opgeheven en dat is een lange tijd. Ik leef nu afwisselend in New York en Londen , en leid een heel normaal en gelukkig leven.’