nieuwe site?

Hotel Anderson

Interview: Wes Anderson over The Grand Budapest Hotel

Gerhard Busch ,

The Grand Budapest Hotel is de nieuwste film in het rijke oeuvre van Wes Anderson. ‘Dit is mijn eerste film waarin iemand zijn vingers kwijtraakt, een hoofd wordt afgehakt en waarin veel bloed en geweld zit.’

Zijn films zitten vol met zijn alter ego’s, maar het meest lijkt de Amerikaanse regisseur Wes Anderson (1969) nog op de in oranje tweedpak geklede vos uit zijn (vooralsnog enige) animatiefilm Fantastic Mr. Fox. Anderson, in Nederland voor de promotie van The Grand Budapest Hotel, draagt nu alleen geen oranje tweedpak, maar een grijsgroen. Het dunne, lange lijf en de verbaasdironische blik is precies die van Mr. Fox. The Grand Budapest Hotel is Andersons achtste film in achttien jaar. Dat zijn niet veel films, maar het is wel een rijk oeuvre. Met zeer herkenbare films. Kijk naar The Royal Tenenbaums, The Darjeeling Limited, Moonrise Kingdom en ook Fantastic Mr. Fox, en je ziet meteen dat het een film van Anderson is. De zelfde visuele stijl, de zelfde toon, het zelfde type personages. Ook The Grand Budapest Hotel past prima in dat rijtje. De film kort uitleggen is niet eenvoudig, want Anderson gebruikt verschillende vertellers en de film speelt zich af in verschillende periodes, maar stralend middelpunt is steeds het enorme, zalmkleurige hotel Grand Budapest, dat staat in het fictieve Midden-Europese staatje Zubrowka. De belangrijkste periode in de film is 1932. Het hotel wordt dan gerund door de biseksuele Monsieur Gustave (een verrukkelijke rol van Ralph Fiennes), die een zwak heeft voor stokoude vrouwen. In 1932 komt weesjongen Zero Moustafa als lobby boy naar het hotel. Zero zal later eigenaar van het hotel worden, maar voor het zover is zullen Gustave en Zero nog hachelijke avonturen beleven in Andersons even kleurrijke als bruisende universum.

Ik kon geen vraag verzinnen over de werelden die u in uw films creëert, want ze zijn perfect. Accepteert u geen imperfectie?
Wes Anderson: (lacht) ‘Ik zie alleen maar fouten! Een film begint bij mij altijd met een personage, in dit geval Monsieur Gustave, en daaromheen bouw ik dan een wereld. Maar ik heb geen idee hoe die wereld eruit moet zien. Ik heb hooguit een paar spulletjes in gedachten die wel in die wereld zouden passen. En dat vraag ik ook van de acteurs, want uiteindelijk zullen zij ervoor moeten zorgen dat die wereld tot leven komt.

Voor mijn gevoel is dit uw eerste film waarin de harde werkelijkheid doorsijpelt. We zien fellatio, afgehakte vingers…
‘Als ik een verhaal schrijf, heb ik meestal wel een idee welke kant het opgaat. Maar niet altijd. Neem die scène met de afgehakte vingers. Toen ik schreef dat advocaat Kovacs het museum binnengaat, wist ik nog niet dat hij aan het eind zijn vingers zou kwijtraken. Ik was daar bijna net zo verbaasd over als het publiek nu. Iemand vroeg me onlangs, en dat lijkt op jouw vraag: hoe heb je de Europese geschiedenis, die onder je verhaal ligt, in evenwicht gehouden met de humor en de lichtheid in je film? Mijn antwoord was aanvankelijk: dat heb ik ik helemaal niet geprobeerd. Ik heb gewoon gedaan wat ik goed vond. Achteraf besefte ik dat het echte antwoord is dat ik wel degelijk op zoek was naar een evenwicht. Want dit is inderdaad mijn eerste film waarin iemand zijn vingers kwijtraakt, waarin een hoofd wordt afgehakt en waarin veel bloed en geweld zit. Dat heeft toch echt te maken met de tijd waarin de film zich afspeelt. De tijd vlak voor de Tweede Wereldoorlog, toen het in Europa steeds donkerder werd.’

Voelt u het nu ook steeds donkerder worden? Wilde u daarom dit verhaal vertellen?

‘Je vraagt hoe persoonlijk deze film voor mij is, en dat is op zich een goede vraag, maar het is nou net een vraag die ik voor mezelf niet wil beantwoorden. Zeker niet wanneer ik een film maak. Dan wil ik vanuit mijn onderbewuste werken. Er moet enig mysterie overblijven, want anders wordt het te simpel, snap je? Ik wil geen antwoord hebben op alle vragen. Hoe minder complex iets is, hoe minder interessant het voor mij is.’

Op de aftiteling staat dat The Grand Budapest Hotel is geïnspireerd door het werk van de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig. Heeft u een voorbeeld?

‘Neem de scène waarin een soldaat naar de papieren van Zero vraagt en ziet dat hij stateloos is. En we weten allemaal dat stateloosheid zo’n beetje het slechtste was wat je toen in Midden-Europa kon overkomen. Zweig schrijft wanneer die papiertjes voor het eerst opdoken. Dat was na 1914, want voor die tijd had je helemaal geen papieren nodig om door Europa te reizen. Dat wist ik niet, maar Zweig kon overal naartoe reizen zonder paspoort, zo was Europa toen. Maar in korte tijd had je ineens papieren, stempels en handtekeningen nodig om je te mogen verplaatsen. En uiteindelijk zelfs papieren die bepaalden of je mocht leven of niet. Zweig vond dat zo onaanvaardbaar dat hij in 1942 zelfmoord heeft gepleegd.’



Zweig zag de beschaving afbrokkelen. Ziet u dat ook?
‘Nee. Zweig verlangde terug naar het Wenen van voor 1914. Die nostalgie is gebaseerd op het feit dat hij die wereld zag verdwijnen. Toen ik me op deze film voorbereidde, heb ik me erg in Zweigs wereld verdiept. Ik heb filmpjes van vroeger bekeken en ben naar plekken gegaan waar hij geweest was. En ja, die plekken zijn inderdaad veranderd. En dat is triest. Maar mijn ervaring tijdens die reizen was heel anders. Bijna het tegenovergestelde. Ik kom uit Amerika, een land waar de tastbare herinnering aan het verleden heel beperkt is. De afgelopen vijftien jaar heb ik veel in Europa gewoond [vooral in Parijs] en heb ik gezien hoe vervuld Europa is van de geschiedenis. Ik word daar juist heel optimistisch van . Dan ben ik wel net als Zweig nostalgisch, maar mijn nostalgie is niet gebaseerd op cynisme. Vandaar dat de wereld in mijn film, ondanks het gewicht van de geschiedenis, veel lichter is dan die van Zweig.’

Het motto van Monsieur Gustave is dat hij de illusie van medemenselijkheid in stand wil houden. Zijn ook uw films een poging die illusie in stand te houden?
‘Dat zou een heel mooie definitie van mijn films zijn. Maar als we het hebben over waarom ik films maak, moet ik eerlijk zeggen dat mijn eerste gedachte bij het maken van een film altijd is: en hierna nog een. Ik denk als eerste aan mezelf, omdat ik geen idee heb wat ik anders moet doen! Daarnaast wil ik iets maken waar mensen naar willen kijken. En tot slot, nummer drie, wil ik ook nog een ervaring creëren die de moeite waard is voor al die mensen met wie ik al jaren samenwerk. Iets waar we met zijn allen over tien jaar met plezier aan terugdenken. Iets groots.’