filmjaar 2016

'Ik mis de humor een beetje'

Interview: festivaldirecteur Gerben Schermer over HAFF

Michael Minneboo ,

Het HAFF bestaat dertig jaar. Festivaldirecteur Gerben Schermer blikt terug, maar belicht vooral de huidige stand van zaken in de Nederlandse animatiewereld.

Op de achttiende editie van het jaarlijkse animatiefestival in hartje Utrecht worden ruim vierhonderd films vertoond en zijn er talkshows, lezingen, diverse competities, presentaties en installaties op het snijvlak van kunst en animatie . Hoofdthema is ‘sport en beweging’, vanwege de start van de Tour de France in Utrecht. Er wordt teruggeblikt maar vooral vooruitgekeken.

Festivaldirecteur Gerben Schermer: ‘Vanwege het dertigjarig jubileum hebben we speciale aandacht voor de makers van toen en nu. Paul Driessen heeft er in belangrijke mate aan bijgedragen dat Nederland vanaf de jaren zeventig internationaal een plaats heeft verworven op het gebied van de autonome animatiefilm. Driessens nieuwste film Cat Meets Dog gaat bij ons in première. Ook tonen we een overzicht van zijn oeuvre.

Als je kijkt naar wat er dertig jaar geleden werd gemaakt en nu, dan mis ik de humor een beetje bij de huidige animaties. Humor zie je wel terug in de publieksfilm en in animatieseries op televisie, zoals The Simpsons en South Park, maar er worden relatief weinig humoristische shorts gemaakt. Dat kan zijn omdat de makers noodgedwongen een nieuwe markt proberen te vinden, maar het komt ook omdat animators zichzelf steeds serieuzer zijn gaan nemen. Men wil laten zien dat animatie niet alleen entertainment is, maar ook een middel om maatschappelijk commentaar over te brengen op een literaire of kunstzinnige wijze.’



Uiteenlopend
‘Op dit moment zijn er in Nederland interessante ontwikkelingen op het gebied van animatiefilm. We hebben de ambitie om lange animatiefilms te maken, en sinds 2012 zijn er al vijf features gemaakt, waarvan Trippel Trappel: Dierensinterklaas de recentste is. Wat die producties de sector zouden moeten brengen, en dat gaat volgens mij ook gebeuren, is dat je een klimaat creëert waarin filmmakers van de ene productie naar de andere kunnen hoppen en dat ze zo hun geld kunnen verdienen. De vaardigheden die
ze hierdoor ontwikkelen kunnen ze weer gebruiken bij het maken van korte films. Overigens is kleinschaligheid nog wel een kenmerk van de Nederlandse animatie- industrie, ik denk niet dat je hier een lange film volledig met Nederlands geld kunt financieren. Het zijn coproducties met andere landen.

Andere belangrijke ontwikkelingen komen van de jonge generatie makers die een ander soort films op een nieuwe manier willen maken. Samen met festival Anima in Brussel hebben we een fi lmprogramma samengesteld waarin het beste te zien is van Belgische vakopleidingen, de AKV St. Joost in Breda, Willem de Kooning in Rotterdam, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en de Gerrit Rietveld Academie Amsterdam. Dat werk is zeer uiteenlopend, maar wat mij bijvoorbeeld opvalt is dat computertechnologie niet langer de stijl van de film bepaalt. Neem Little Freak van Edwin Schaap. Die film is weliswaar met de computer gemaakt, maar het is niet een typische computerfilm. In 3,5 minuut wordt een goed en dramatisch verhaal verteld. Het verhaal heeft een open eind en daar hou ik van.

Wile E. van Christopher Holloran vind ik een mooie, verrassende film met fantastische humor, over een meisje in New York dat een langeafstandsrelatie heeft met een jongen in Amsterdam. Ze bellen met elkaar, maar eigenlijk zeggen ze niets. Als die jongen heel terloops vertelt dat hij een moord heeft gepleegd , reageert dat meisje er nauwelijks op. Holloran heeft goed gekeken hoe hij het verhaal het beste in beeld kan brengen en dat doet hij op een verrassende manier door geanimeerde krabbels te vermengen met live-action opnames. Zijn nieuwste film gaat bij ons in première.’



Bedrijfjes

‘Bij de HKU zie je dat de nadruk is komen te liggen op autonome films en minder op de opdrachtfilm. Dat is bij St. Joost al langer het geval: studenten worden begeleid om hun eigen ideeën in beeld te brengen en een persoonlijke stijl te ontwikkelen. Korte films van St. Joost vallen vaak in de prijzen. De opleiding is misschien wel de laatste kans om persoonlijke films te maken, want daarna moet er brood op de plank komen. Dan gaan de animators wellicht voor een studio werken en hebben ze geen tijd meer voor eigen werk.

Waar nieuw talent na de opleiding terechtkomt, is moeilijk te zeggen. Daarom is het belangrijk dat er echt een animatie-industrie in Nederland komt, zodat mensen gestimuleerd worden om in het medium door te gaan. Je raakt nu veel talent kwijt omdat ze andere dingen gaan doen. Gelukkig beginnen veel studenten zelf bedrij fjes. Hier in Utrecht zijn er een paar, zoals studio Job, Joris & Marieke. Hun film A Single Life is genomineerd voor een Oscar. Ter gelegenheid van de start van de Tour maakten ze Bon Voyage! Wat ik erg interessant vind is dat we animatie steeds meer in verschillende verschijningsvormen zien. Animators experimenteren en zoeken naar een nieuw publiek. We zien veel animatie in kunstinstallaties waarin makers experimenteren met nieuwe manieren van vertellen . Daarom besteden we sinds onze vorige editie vrij veel aandacht aan installaties. Die vertonen we op verschillende locaties in de stad en dat maakt ze goed zichtbaar. We hebben de wereldpremière van Februar van Maarten Isaäk de Heer, een panoramische koepelinstallatie waarin de relatie tussen mens en natuur aan de tand gevoeld wordt in een kil, winters landschap. De Heer gebruikt 360° beeld om een verhaal te vertellen. Als toeschouwer ben je dus omringd door het verhaal.’