nieuwe site?

Publieke werken: eindelijk verfilmd

Interview met regisseur Joram Lürsen

Gerhard Busch ,

Toen regisseur Joram Lürsen bij de verfilming van Publieke werken kwam, waren er al veertien versies van het scenario geschreven, en het boek was er ook nog. Toch heeft hij ook zelf veel research gedaan.

In 2000 ging de Libris Literatuurprijs naar de historische roman Publieke werken van Thomas Rosenboom. Volgens de jury ‘een panoramisch boek’ en ‘een historische evocatie van platteland en stad aan het eind van de negentiende eeuw .’ Zeven jaar later riepen de lezers van NRC het boek uit tot een van de tien beste Nederlandstalige romans aller tijden.

Hoofdpersonages zijn de Amsterdamse vioolbouwer Vedder en diens neef, apotheker Anijs in Hoogeveen. Het is 1888. Het Centraal Station is in aanbouw en bij Vedder, die tegenover het toekomstige CS woont, valt een brief op de mat. Ze willen zijn huis en dat van zijn buren kopen om op die plek een luxueus hotel, hotel Victoria, te bouwen. Vedder ruikt zijn kans en vraagt het dubbele. In de vaste overtuiging dat ze hem die prijs wel moeten betalen, bedenkt hij met neef Anijs het plan om met het bedrag een handvol arme turfstekers naar Amerika te helpen emigreren.

Een eerste, vroege poging het boek te verfilmen strandde, omdat de beoogde regisseur Willem van de Sande Bakhuyzen in 2005 overleed aan de gevolgen van darmkanker. Nu is de film er dan toch, geregisseerd door Joram Lürsen (In Oranje , Alles is liefde). Publieke werken is een mooi, maar ook gemeen boek. Rosenboom kijkt neer op zijn personages. Bij hem zijn het kinderachtige mannen die boven hun macht grijpen. In de film zijn ze sympathieker. Waarom?

Joram Lürsen: ‘Dat heb je al snel in film. Acteurs gaan op zoek naar wat hun personages drijft. Al doen personages domme of onhandige dingen, het zijn mensen. En zo zullen de acteurs ze ook spelen. Zodra je personages aan acteurs plakt, worden ze sympathieker. Helemaal als je ze laat spelen door Gijs Scholten van Aschat [Vedder] en Jacob Derwig [Anijs], acteurs waar je graag naar kijkt. Ik heb Gijs op toneel Richard III zien spelen, en dat is een ploert die zijn hele gezin uitmoordt. Maar als Gijs hem speelt, heb je er toch wel schik in . Dan zit hij de hele tijd de zaal aan te kijken met zo’n blik van: “Ach mensen , het komt wel goed”. In een film heb je bovendien maar weinig tijd. Je kijkt naar iemand en je houdt van hem of niet. En van de meeste filmsterren hou je. Dat is een van de redenen waarom ze filmster zijn.’

Wat is dat dan? Charisma? Uiterlijk?
‘Charisma.’

En charisma is niet uit te leggen?
‘Nee.’

Maar als we nou onze twee hoofdrolspelers nemen: Gijs en Jacob…
‘Dan is dat bij die twee iets heel anders. Gijs is geestig. Van zichzelf en als acteur. Als hij zit op te scheppen in Publieke werken kan ik mijn lachen bijna niet inhouden. Gijs kan ook heel goed de ondergang spelen. Met humor, en daardoor met heel veel verdriet. En Jacob is altijd tot in de puntjes voorbereid. Maar met kleine, genuanceerde pasjes maakt hij van zo’n rol een prachtig kunstwerkje. Heel knap.’



Ze verschillen onderling nogal. Hoe is dat voor u als regisseur?
‘ Fijn, want ze concurreren niet met elkaar. Ze bewonderen elkaar. Ze spelen alle twee op een heel andere manier, maar letten er wel op dat het niet te veel uit elkaar gaat lopen. Gijs is wat nerveuzer en erg bezig met of alles wel goed gaat . En dan niet of hij het goed doet, maar of wij alles wel goed doen. Heel grappig. Om hem heen moet je rust creëren. Bij Jacob moet je juist opletten dat je hem niet vergeet, want hij vraagt heel weinig aandacht. Maar onder hem brandt een enorm vuur. Hij begint altijd heel precies, maar uiteindelijk gaat-ie helemaal los.’

Toen u een paar jaar geleden bij het project kwam , waren er al veertien versies van het scenario voor Publieke werken geschreven , en het boek was er ook nog. Toch heeft u ook zelf veel research gedaan. Waarom ?
‘Ik wilde een beeld krijgen van die tijd. Amsterdam hing toen bijvoorbeeld vol met telegraafkabels. Het was één groot kabelfestijn. Dat zie je dan terug in de film. Bouwen gebeurde toen al wel met stoommachines, maar ook nog veel met paarden. Ik wil zoiets weten, want dan pas kan ik beslissen wat en hoe ik ga filmen. Gaslicht vond ik ook interessant, want de straat werd toen nog verlicht met gaslicht. Maar bij volle maan gingen de lantaarns niet aan.’

Zonde van het gas?
‘Ja, want er kwam toch niet zo veel licht van af. Ze hanteerden in Amsterdam de regel dat je een boek op tien meter afstand van een stadslantaarn moest kunnen lezen. Bij maanlicht kon je niet eens zien of de lantaarns aan waren of niet. Elke dag moesten ze die lantaarns opnieuw aansteken . Een paar keer hadden grappenmakers de trap van een gasopsteker weggeschopt. Vanaf dat moment ging er een politieman mee. zoiets vind ik heerlijk om te weten .’

Omdat u het in de film kunt gebruiken?
‘Het zit in de film! Niet die politieman, maar je ziet twee keer hoe zo’n stadslantaarn wordt aangestoken. Omdat ik het een mooi beeld vind. En omdat het toen gebeurde , natuurlijk.’