filmjaar 2016

Familiebedrijf Makhmalbaf draait op volle toeren

Ook mevrouw Makhmalbaf maakt film

Gerhard Busch ,

Eind jaren '90 richtte de Iraanse regisseur Mohsen Makhmalbaf zijn huis in als filmschool. Onder de leerlingen van het eerste uur zijn dochters Samira en Hana, zoon Maysam, en zijn (tweede) vrouw Marzieh Meshkini. De films die de vrouwen afleverden behoren tot het beste wat de wereldcinema de laatste jaren heeft voortgebracht.

Je kunt het droeve lot van vrouwen in Iran op verschillende manieren verbeelden. Jafar Panahi, bijvoorbeeld, koos er in het vorig jaar in Nederland uitgebrachte The Circle voor de kijker murw te beuken met loodzware episodes. Een half dozijn hopeloze gevallen trok voorbij, met maar één doel: de kijker overtuigen van het feit dat vrouwen het ondraaglijk zwaar hebben in Iran.

Dat is natuurlijk geen nieuws, maar Panahi slaagde er met zijn film prima in die boodschap over te brengen. Verder heeft The Circle weinig te bieden. Er is geen schoonheid, geen poëzie, geen compassie, alleen die ene harde waarheid: vrouwen in Iran hebben het zwaar.

Dat je dezelfde boodschap ook heel anders, en veel indringender kunt overbrengen bewijst Marzieh Meshkini met The Day I Became a Woman. In drie dromerige verhalen volgt zij een dag uit de levens van drie generaties vrouwen.

De episodes lijken los van elkaar te staan , maar worden in het derde deel voorzichtig aan elkaar geknoopt. Elk verhaal begint in media res. Er is geen introductie, geen uitleg, geen motivatie. Je moet het doen met de informatie die de scènes je bieden.

Deel 1, getiteld 'Hava', biedt nog het meeste houvast. Het wordt snel duidelijk dat Hava, een ondeugende spring-in-'t-veld, die dag jarig is. Maar een erg feestelijke gebeurtenis is het niet. Ze wordt negen, en volgens de islam is dat de leeftijd dat meisjes vrouw worden. Hava's cadeau is een zwarte sluier én de wetenschap dat ze nooit meer met haar vriendje Hassan mag spelen.

Maar Hava is vindingrijk. Werd ze niet geboren om 12 uur 's middags? En het is pas 11 uur. Ze weet haar moeder zover te krijgen dat ze nog één uur met Hassan mag spelen. Om de tijd niet te vergeten krijgt ze van haar grootmoeder een stok mee, die ze regelmatig in het zand moet steken. Als de schaduw wegvalt is het twaalf uur en is haar onbezorgde jeugd voorbij.

In deel 2 ('Ahoo') volgen we de jonge Ahoo, die ongelukkig getrouwd blijkt. De manier waarop Meshkini ons dat vertelt is verbluffend mooi en wordt vrijwel uitsluitend gedaan met behulp van beelden. De ruim 20 minuten die het segment duurt zien we Ahoo almaar fietsen. Met een dertigtal andere vrouwen doet zij mee aan een fietsrace op het Iraanse eiland Kish (de enige plek in Iran waar vrouwen mogen fietsen). Het levert een vervreemdend schouwspel op: dertig wild pedalerende vrouwen gehuld in lange zwarte chadors.

De aanblik van zijn vrouw op een fiets (een 'duivels' werktuig) is onverdraaglijk voor de echtgenoot van Ahoo. Gezeten op zijn paard komt hij langszij en vraagt, smeekt en gebiedt zijn vrouw te stoppen. Zonder succes: Ahoo blijft stuurs voor zich uitkijken en trapt nog eens stevig door. En wie er ook langzij komt, de mullah, de schoonfamilie, haar broers, Ahoo wil van geen wijken weten. Ze fietst letterlijk voor haar leven.

In het derde deel ('Houra') is de vrouw eindelijk vrij. Ze is oud, krom en heeft iedereen overleefd. Er is geen familie of echtgenoot die haar nog iets kan verbieden. En dus koopt ze, dankzij een erfenis, al die dingen die ze haar leven lang al had willen hebben: een koelkast, hemelbed, stofzuiger, kanten bruidsjurk.

Gekleurde lintjes om haar vingers moeten het besje helpen herinneren wat ze allemaal moet aanschaffen. Uiteindelijk blijft er één lintje over dat ze niet goed kan thuisbrengen. Begrijpelijk, want dat laatste lintje staat voor iets dat ze onmogelijk met geld kan kopen, het symboliseert alle jaren die haar zijn afgenomen.

The Day I Became a Woman lijkt op het eerste gezicht niet meer dan een simpel verhaal over drie generaties vrouwen en hun individuele problemen. Dat kan verklaren waarom de film in eigen land - in tegenstelling tot het eerder genoemde The Circle - niet verboden is. Naar verluidt had de censor alleen moeite met een scène waarin Hava en Hassan samen aan één lolly likken. Te erotisch! De zorgvuldig bedekte, maar daardoor niet minder welluidende aanklacht tegen de armzalige positie van álle vrouwen in Iran werd blijkbaar niet als probleem gezien.

Dat de film in Iran - en na wat gesteggel tussen Meshkini en de censors inclusief de scène met de lolly - kon worden uitgebracht, was niet onbelangrijk voor de regisseur en haar gezin. De zonder staatssubsidie gemaakte film kwam immers deels tot stand met eigen geld, dat werd verkregen doordat de echtgenoot van Meshkini zijn huis in onderpand had gegeven. Met de recette in eigen land kon dat huis weer worden teruggekocht.

Het was niet de eerste keer dat de echtgenoot, de beroemde Iraanse regisseur Mohsen Makhmalbaf (Gabbeh, Kandahar), dat huis in onderpand had gegeven. Meerdere films, van hem en zijn gezinsleden, kwamen zo tot stand.

Het huis speelde ook nog een andere, belangrijke rol in het leven van de regisseur. Toen dochter Samira in 1996 haar school verliet om film te gaan studeren, juichte Mohsen de keuze toe, maar was hij erg bezorgd over het niveau van de bestaande filmacademies. Hij stelde het Iraanse ministerie van Cultuur voor zelf een filmschool te beginnen. Hij zou maximaal honderd studenten accepteren en die over een periode van vier jaar met moderne lesmethodes onderwijzen.

De regering besloot dat één lastige filmmaker - verschillende van Makhmalbafs films zijn verboden in Iran - genoeg was, en wees het plan af. Waarop Mohsen zelf een academie startte: de Makhmalbaf Film School, gesitueerd in zijn eigen, drie etages tellende huis in Teheran.

De eerste acht leerlingen bestonden uit familie en vrienden, onder wie dochters Samira en Hana (toen negen jaar oud ), zoon Maysam, en ook zijn (tweede) vrouw Marzieh Meshkini. De eerste die van zich deed spreken was Samira. Voor haar Blackboards (2000) kreeg ze twee jaar geleden in Cannes de speciale juryprijs. Ze was daarmee - met haar twintig jaar - de jongste regisseur in de geschiedenis van Cannes die deze prestigieuze prijs kreeg overhandigd.

Meshkini had bij Blackboards opgetreden als regie-assistent en haar debuutfilm The Day I Became a Woman was tegelijkertijd haar afstudeerproject aan de Makhmalbaf Film School. De kwaliteit van de opleiding (die in 2000 werd opgeheven toen Mohsen besloot zelf weer te gaan filmen) blijkt wel uit het feit dat zowel Blackboards als The Day I Became a Woman behoren tot het allerbeste wat de wereldcinema de afgelopen jaren heeft opgeleverd.

Het is verleidelijk het werk van de drie regisseurs ( Mohsen, Samira en Meshkini) met elkaar te vergelijken, maar afgezien van de verhalen over verdrukte medemensen (de scenario's zijn overigens allemaal geschreven door Mohsen), valt alleen de krachtige beeldtaal op. Onvergetelijk zijn de mannen die met hun zwarte schoolborden door de bergen trekken en er vanuit de lucht uitzien als wanhopige kraaien (Blackboards), of de kunstbenen die aan parachutes afdalen in de Afghaanse woestenij (Kandahar).

De fenomenale fietsrace voor vrouwen in The Day I Became a Woman noemden we al, maar zeker zo intrigerend is een Fellini-achtige scène in deel 3. De oude vrouw heeft al haar aangeschafte huisraad uitgepakt en uitgestald op het strand. Als zij even weggaat om een doorzichtige theepot te ruilen (het feit dat hij doorzichtig is maakt hem zedeloos) neemt een handvol kwajongens hun intrek in het 'huis'. Ze klimmen in het bed, halen de koelkast leeg en beginnen te stofzuigen. De apparaten werken gewoon, ook al is er nergens een stopcontact te bekennen.

Het zijn scènes als deze waarvoor we Mohsen dankbaar mogen zijn dat hij vier jaar van zijn leven stopte met het creëren van films en zich heeft toegelegd op het, zoals hij het op www.makhmalbaf.com omschrijft, 'creëren van filmmakers'. Hoe goed hij daarin geslaagd is mag blijken uit het feit dat zijn eigen Kandahar aanzienlijk minder krachtig is dan het werk van zijn twee belangrijkste leerlingen.