filmjaar 2016

Op Scherp: Michael Haneke

‘Ik beschouw mezelf niet als pessimist’

Evelien Kortum ,

Totdat zijn stiefvader hem vertelde dat hij het op muzikaal gebied nooit zou halen, wilde de Oostenrijkse filmauteur Michael Haneke professioneel pianist worden. Opvallend voor iemand die zelden muziekscores in zijn films gebruikt. De regisseur laat zijn liefde voor muziek meestal anders blijken. Zo opent zijn nieuwste film Funny Games U.S., Haneke’s Amerikaanse remake van zijn eigen film uit 1997, met een onschuldig vragenspelletje over klassieke muziek. Toch verloopt de film net zo grimmig als zijn Duitstalige voorganger.

De feiten
Geboren: 23 maart 1942, Beieren, Duitsland

Actief als: regisseur, scenarioschrijver, acteur

Eerste film: Drei Wegen zum See (1976)

Prijzen: werd op het Festival van Cannes meerdere malen genomineerd voor een Gouden Palm en won er in 2005 de prijs voor beste regie voor Caché, in 2001 de Grote Jury Prijs voor La pianiste en ontving in 2000 de Oecumenische Jury prijs voor Code Inconnu, werd in 2002 genomineerd voor een BAFTA Award voor La pianiste, won op de Viennale van 1992 de Vienna Film Award voor Benny’s Video en kreeg in 2006 een Étoile d'Or voor Caché.

Beste film
Caché (2005). Een ijzingwekkende, eigenzinnige whodunnit, waarin veel meer verborgen zit dan het vermogen de kijker een gevoel van ongemak en onbehagen te bezorgen. In lange statische shots ontvouwt Haneke een intelligent gelaagde thriller. Zonder spanning te verliezen en zonder het er dik bovenop te leggen, kaart de regisseur actuele vragen aan over schuld, verantwoordelijkheid, angst en arrogantie. Caché sleept mee en daagt de kijker uit, zowel op politiek als persoonlijk niveau. Ook zien: Benny’s Video (1992), La Pianiste (2001) en Funny Games (1997).

Slechtste film
Das Schloss (1997). Hoewel Haneke meerdere boekbewerkingen achter zijn naam heeft staan, slaagt hij er in Das Schloss (een televisiefilm naar het onafgemaakte boek van Franz Kafka) niet in de essentie van Kafka’s werk te vangen. De regisseur richt zich in de verfilming niet zo zeer op het verhaal, maar eerder op het gevoel van verstoring en verwarring dat met het verhaal gepaard gaat. Zoals vaker in Haneke’s werk ontbreekt het dan ook niet aan intensiteit. Toch belet juist zijn neutrale houding tegenover het verhaal Haneke de metaforen uit Kafka’s diepgelaagde werk goed te kunnen verbeelden. Ook is de film te hectisch en gehaast om recht te doen aan zowel Kafka als Haneke zelf.

Handelsmerk
In Haneke’s films komen vaak kleine, plotselinge uitbarstingen van extreem geweld voor, die meestal buiten beeld plaatsvinden. Films als Funny Games en Benny’s Video zijn vooral gericht tegen gratuit geweld . Haneke’s werk is in essentie misantropisch en biedt een grimmige kijk op de westerse welvaartsmaatschappij. De regisseur hekelt de leugen van het realisme zoals die zich voordoet in Hollywoodfilms, in het bijzonder het gemak waarmee geweld wordt toegepast. In bijna al zijn werk wil hij laten zien hoe gemakkelijk de waarneming van de bioscoopbezoeker te manipuleren blijkt. Om het realisme van de film te relativeren gebruikt Haneke regelmatig fragmenten met zwart beeld . Ook maakt de regisseur vaak gebruik van lange, statische shots en diëgetisch geluid (geluid dat zich alleen op de set voordoet). Haneke doet in zijn films direct of indirect altijd een beroep op de kijker. Door het zien van zijn films dient de kijker zich bewust te worden van zijn eigen relatie tot bijvoorbeeld zinloos geweld of de multiculturele westerse samenleving.

Michael Haneke over Michael Haneke

‘Het is contraproductief om als regisseur politieke zaken te verkopen. Ik ben geen meningenman. Ik zeg iets over de wereld aan de hand van beelden en hoop dat de wijze waarop ik die beelden rangschik iets losmaakt bij de toeschouwer. Ik hoop mensen iets te laten doorzien.’
(Cinema.nl, 2001)

‘In al mijn films hebben vrouwen de beste rollen. Het gevoelsleven van vrouwen interesseert me eenvoudig weg meer. Mannen zijn saai. Waar dat vandaan komt, weet ik niet. Misschien moet ik dat nog eens psychologisch laten onderzoeken.’
(NRC Handelsblad, 2008)

Over de muziek in La pianiste: ‘De keuze van de muziek was een van de leukste dingen tijdens het maken van de film. Maar ik heb teveel respect voor muziek om het simpelweg in mijn films te “gooien.” Daarom gebruik ik zelden muziek in mijn films. Vaak wordt muziek alleen maar gebruikt om de mankementen van een film te verdoezelen.’
(The Guardian, 2001)

‘We leven in een maatschappij die gelardeerd is met geweld. Ik laat het op beeld zien omdat ik er bang van ben en ik het belangrijk vind dat we erover nadenken. Al mijn films gaan over dingen die ik sociaal relevant vind en al mijn films hebben te maken met mijn eigen angsten. Ik behandel kwesties die ik oneerlijk of belangrijk vind . Dingen die me op dramatisch vlak interesseren. Ik denk dat dingen die goed gaan in de maatschappij moeilijk dramatisch te presenteren zijn. In de twintig jaar dat ik in het theater werkte, heb ik één komedie geregisseerd en dat was mijn enige fiasco. Ook zijn mijn films een protest tegen de mainstream cinema, een reactie op de films die in de hedendaagse bioscopen draaien. Als de mainstream films anders waren geweest, zouden mijn films ook anders zijn.’ 
(Bright Lights Film Journal, 2005)

‘Ik heb me lange tijd niet willen afvragen waarom kunstuitingen in Oostenrijk altijd zo heavy zijn. Bernhard, Jelinek, misschien ikzelf als filmauteur. Ik vermoed dat het komt doordat Oostenrijkers wereldkampioen onder-het-tapijt-vegen zijn. Het tapijt is heel schoon, het ziet er picobello uit, maar je mag er niet onder kijken. De belangrijke kunstenaars hebben zich altijd gedwongen gevoeld daartegen te polemiseren. Bij ons moet je schreeuwen om een beetje op te vallen en dan wordt er nog niet naar je geluisterd. Wij kennen geen “staats auteurs” die alom gerespecteerd worden in het land. Maar in het buitenland slaat onze kunst wel heftig in.’
(De Groene Amsterdammer, 2001)

‘Toch vreemd dat ze mij een onderwijzer noemen, dat ben ik net zo min als een maatschappelijk werker. Het enige pedagogische element in mijn films is dat ik de toeschouwer uitdaag zelf na te denken.'
(Cinema.nl, 1998)

‘Eigenlijk wilde ik altijd pianist worden. Maar gelukkig voor mij was mijn stiefvader een professionele muzikant. Op een dag nam hij me apart en zei: “Kijk Michael, het is heel leuk dat je de hele tijd piano speelt, maar ik moet je zeggen dat het je nooit gaat lukken.” Ik ben hem heel dankbaar voor zijn eerlijkheid. Er is niets erger dan een matig getalenteerde muzikant.’
(New York Times, 2007)

‘Ik heb mijn vak in het theater en bij de televisie geleerd. Vooral het werken met acteurs. Je kan veel meer in het theater leren dan wanneer je een film regisseert, omdat je tijdens het draaien van een film geen tijd hebt om écht met de acteurs te werken. Die vaardigheid moet je ergens anders opdoen. Die twintig jaar van televisiefilms draaien en theater regisseren had niets te maken met dat ik geen kans had om een echte film te maken, maar eerder met het feit dat ik mijn eigen taal wilde vinden.’
(IndieWIRE, 2001)

‘Ik beschouw mezelf niet als pessimist. Een pessimist maakt juist verstrooiende films. Dat is iemand die het publiek dom inschat en meent dat het sowieso geen zin heeft om serieuze onderwerpen te behandelen. De schrijvers die men voor pessimisten houdt, zijn het nou juist niet. Die kaarten problemen aan, schudden wakker. Al geloof ik niet dat ik met mijn film iets kan veranderen. Ik geloof alleen dat de wereld zonder kunst slechter af is.'
(Cinema.nl/de Volkskrant, 2008)

‘Ik ben beschuldigd van het “verkrachten” van mijn publiek in mijn films, en ik geef dat vrijwillig toe – alle films misbruiken op een of andere manier de kijker. Wat anders is aan mijn films is dit: ik probeer de kijker tot onafhankelijkheid te verkrachten.’
(New York Times, 2007)