filmjaar 2016

Hart versus brein

Rush van Ron Howard

Gerhard Busch ,

'Geluk is mijn vijand.' Dat zegt de vaak pijnlijk eerlijke Formule 1-coureur Niki Lauda tegen zijn kersverse echtgenote in Ron Howards racedrama Rush. De achterliggende gedachte is: ben ik gelukkig, dan ben ik geen goede coureur meer, want dan heb ik te veel te verliezen. En dat kan niet in een sport waar ik in elke race mijn leven moet wagen.

Ongetwijfeld waar, maar niet erg aardig om tegen je vrouw te zeggen. Maar zoals we Lauda in Rush leren kennen is hij niet het type dat aardig gevonden wil worden. In tegenstelling tot zijn grote rivaal, de Brit Hunt. James Hunt. Type James Bond, inderdaad. Verslaafd aan drank, drugs en vrouwen. De held van het Formule 1-minnend publiek en in 1976 de enige coureur die de Oostenrijker Lauda enig weerwerk kan bieden op de racecircuits.

Scenarioschrijver Peter Morgan, die al eerder met Howard werkte voor Frost/Nixon (2008), zoomt in Rush heel erg in op die geruchtmakende, historische tweestrijd in 1976. Formule 1-liefhebbers weten hoe die strijd afliep, maar om de van veel sportfilms bekende 'doelpunt-in-de-laatste-minuut- spanning' is het Howard dan ook niet te doen.

Meer nog dan een racefilm, is Rush een film over twee persoonlijkheden. Hunt, de door testosteron gedreven playboy-coureur zoals er destijds velen reden in de Formule 1. En Lauda – humorloos en onaantrekkelijk en door Hunt steevast 'De Rat' genoemd – die racet met zijn verstand. Hart versus brein. Risico versus discipline.

Het pleit voor Rush dat we niet gedwongen worden voor een van beide mannen te kiezen. De film opent met Hunt, en net als iedereen om hem heen – vooral de vrouwen – val je voor zijn stoere charme, maar gaandeweg krijg je sympathie voor de Oostenrijker Lauda, die misschien veel saaier is, maar ook veel slimmer en een betere coureur, en uiteindelijk misschien ook wel een beter mens.

De Duitser Daniel Brühl, die Lauda speelt, is in ieder geval de betere acteur. Want waar de Australiër Chris Hemsworth, die Hunt speelt, bij de kijker weinig meer weet op te wekken dan jaloezie, irritatie of medelijden – afhankelijk van je reactie op populaire mannen – weet Brühl de kille, klinische Lauda sympathiek, of op zijn minst toch menselijk te maken.