nieuwe site?

Muziekfilmclichés

Jersey Boys van Clint Eastwood

Rick de Gier ,

Clint Eastwood is behalve westernicoon natuurlijk ook regisseur van prachtige films als Unforgiven, The Bridges of Madison County en Million Dollar Baby. Bovendien is hij een groot muziekliefhebber: hij componeerde fraaie soundtracks bij veel van zijn eigen werk en maakte meerdere films over muzikanten.

Reden genoeg dus om van de Broadway-musicalverfilming Jersey Boys – over sixtiespopkwartet Frankie Valli and the Four Seasons – iets meer te mogen verwachten dan matige soortgenoten als Rent, Mamma Mia! en Rock of Ages.

En ja, met de muziekscènes zit het wel goed. Eastwood is niet van de spectaculaire shots en flitsende montages, maar geeft de muziek – aanstekelijke hitjes als Sherry en Big Girls Don't Cry – alle ruimte. En hij heeft slim gecast: drie van de vier groepsleden zongen de liedjes eerder op het toneel. Alleen Vincent Piazza, die bandleider Tommy DeVito speelt, heeft geen Broadway- ervaring. Hij is vooral bekend uit de serie Boardwalk Empire, als beruchte gangster Lucky Luciano.

In Jersey Boys speelt Piazza een soort miniatuurversie van dat personage: Tommy is ook een Italo-Amerikaanse boef, maar dan een paar rangetjes lager. In de openingsscène vertelt hij het publiek dat er in New Jersey drie manieren zijn om aan het straatleven te ontsnappen: het leger ingaan, werken voor de maffia of beroemd worden. Hoewel hij niet terugschrikt voor de tweede optie, droomt hij eigenlijk van de derde. En dus begint hij een bandje.

De aanzet van de film, waarin de groep wordt samengesteld en de eerste succesjes worden geboekt, zit vol amusante scènes. Het afwisselende vertelperspectief – na Tommy praten de andere bandleden het publiek om beurten bij – is een leuke vondst. Ook altijd goed: de bijrol van Christopher Walken (die weinig meer doet dan Christopher Walken zijn, maar toch).

Helaas ebt het plezier al gauw weg zodra de band echt aan de weg begint te timmeren. De film wordt dan een logge aaneenschakeling van muziekfilmclichés. De bandleden krijgen ruzie, platenbazen werken tegen, het thuisfront doet moeilijk omdat de jongens altijd op tournee zijn – we kennen het allemaal wel. De film zoomt geen moment in op onbekendere aspecten van het bandbestaan, de platenindustrie of het muzikale tijdperk. Terwijl er op dat gebied genoeg te vertellen zou moeten zijn.

Zodra de muziek naar de achtergrond verdwijnt, begint de casting bovendien wat te wringen. Dan blijkt John Lloyd Young, die Frankie Valli speelt, begaafder als falsetzanger dan dramatisch acteur. Maar hij kan er eigenlijk ook weinig aan doen: zijn personage krijgt in de loop van het verhaal allerhande ellende over zich heen, maar wordt geen moment driedimensionaal. En dan hebben we de lachwekkende oudemannengrime van de slotscènes nog niet eens gehad.