filmjaar 2016

Recensie: Inherent Vice

Anderson-light

Rick de Gier ,

Tot op heden stond het psychedelische werk van de Amerikaanse schrijver Thomas Pynchon te boek als onverfilmbaar. En daar is best iets bij voor te stellen, als je de verfilming ziet van Inherent Vice – volgens regisseur Paul Thomas Anderson toch Pynchons meest toegankelijke boek.

Want hoewel Inherent Vice (de roman verscheen in 2009) minder complex en wijdlopig schijnt te zijn dan veelgeprezen werken als Gravity's Rainbow (1973) of Mason & Dixon (1997), laat het verhaal zich nog altijd moeilijk doorgronden.

Dat verhaal speelt zich af in Los Angeles anno 1970. Kort na de 'summer of love ' dus, en de kater die daarop volgde in de vorm van een moordende Charles Manson , een uit de hand gelopen Stones-concert, veel drugsslachtoffers en nog meer verwarring. Larry 'Doc' Sportello (Joaquin Phoenix) is een permanent stonede detective die door een ex-vriendin wordt betrokken bij een ingewikkelde verdwijningszaak. Plots krijgt hij te maken met neo-nazi's, black power- activisten, prostituees, corrupte FBI-agenten, een louche tandartsenpraktijk, een verdwenen saxofoonspeler, een mysterieus zeiljacht en nog veel meer gespuis en ongein.

Hoewel P.T. Andersons epos There Will Be Blood al losjes was gebaseerd op een roman (Oil! van Upton Sinclair), is Inherent Vice zijn eerste echte, getrouwe boekverfilming – inclusief veel overgenomen dialogen. Het maakt de film een ietwat vreemde eend in zijn oeuvre: hij is meliger en wisselvalliger dan zijn eerdere werk. Anderzijds is Inherent Vice toch ook een typische Anderson-film, vol kleurrijke types, abrupte wendingen, levendig acteerwerk, prachtige beelden en treffende muziek. Noem het een Anderson-light, een beneveld neefje van Punch-Drunk Love uit 2002.

Zoals de regisseur in interviews zelf ook toegeeft, deelt Inherent Vice nogal wat kenmerken met cultklassieker The Big Lebowski van Joel en Ethan Coen – een vergelijkbare antiheld en plot, knipogen naar noir-klassiekers, anarchistische humor. Maar Andersons talent doet niet onder voor dat van de Coens en dus heeft hij zijn film toch een uniek karakter mee kunnen geven. Wanneer het verhaal op den duur steeds verder in wietdampen wordt gehuld, blijven de losse episoden met elkaar verbonden door een melancholieke ondertoon. Het verval, de desillusie na het hippietijdperk, blijft subtiel door de – soms flauwe, soms geestige – grappen heen schemeren.

Die vervreemdende mix van absurdisme en weemoed komt het mooist tot uiting in de relatie tussen Doc en zijn vriend/ vijand/concurrent Bigfoot, een even rechtlijnige als gefrustreerde agent, hilarisch gespeeld door Josh Brolin. De tegenpolen vliegen elkaar continu in de haren, maar delen ook een zekere verstandhouding. Zo ongrijpbaar als hun vriendschap is de film zelf ook.