Keuze uit een oeuvre

De mooiste scènes van de gebroeders Coen

In het IFFR-programmaonderdeel ‘Meet the Maestro’ draait het dit jaar om de Amerikaanse regisseurs Joel en Ethan Coen. Meet the Maestro moet niet letterlijk worden genomen: de ontmoeting geldt het werk van de meesters. No Country for Old Men - hun geniale, verfilming van de gelijknamige roman van Cormac McCarthy, met een fantastische hoofdrol van Javier Bardem als psychopaat die met kop-of-munt over de levens van anderen beslist - beleeft zijn Nederlandse première op het IFFR. Wat zijn de mooiste scènes uit het oeuvre van de Coens?

Sirenen in een meertje

Ethan en Joel Coen zijn geen praters. In interviews kaatsen ze serieuze vragen over hun werk net zo lang heen en weer totdat er een lacherige stemming ontstaat, om vervolgens met spot te benadrukken dat ze hun film vooral op gevoel maken.

Toen ze in 2000 in Cannes O Brother, Where Art Thou? presenteerden, hadden ze het extra zwaar. De film is een vrije bewerking van het heldendicht Odyssee van Homerus, en dat is een onderwerp waar de broers niets over wilden zeggen – dat wordt zo snel prententieus, vinden ze. Eigenlijk was het meer een grapje, die verwijzing, stelden ze. Hoewel. Dat was ook weer niet zo. Hun vertelling over de praatjesmaker Ulysses Everett McGill en zijn kornuiten volgt namelijk hetzelfde stramien als Homerus’ klassieker, en enkele fragmenten zijn linea recta naar het Mississippi van de jaren twintig verplaatst . ‘Zo hadden we tenminste een beproefde structuur’, mompelde Ethan Coen.

Hoe dan ook: de Odyssee inspireerde de broers tot een scène die de bioscoopbezoeker ter plekke betovert. Tijdens hun vlucht voor het gezag stuiten Ulysses en zijn criminele vrienden op de Sirenen, die de mannen al vanuit de verte lokken met prachtig, driestemmig gezang. De vrouwen, zich badend in een dampend meertje, zijn beeldschoon. Om het nog prikkelender te maken, nodigen ze de mannen uit erbij te komen.

Mooie vrouwen in klotsend water – het lijkt een beeld uit de reclamewereld dat tot op het bot is afgekloven. De Coens weten dat beeld te kantelen door er een slaperige, surrealistische sfeer aan te geven, waarin de curieuze tekst van de goddelijke vrouwen – ‘Did Not Leave Nobody But the Baby’ als een mantra alles doet vergeten. Meteen is duidelijk waarom Odysseus de oren van zijn bemanning met bijenwas dichtsmeerde toen ze langs de Sirenen voeren. Er is de laatste 2700 jaar niet veel veranderd.

Voorpret

Met hun voorliefde voor bizarre details en zijstapjes maken de gebroeders Coen van de introductie van hun personages graag een gek feestje. Neem Intolerable Cruelty. Het eerste wat we van de door tanden geobsedeerde advocaat Miles Massey zien, is zijn gebit. Vol in beeld. Uitgelicht met blacklight.

In Raising Arizona komen twee misdadigers a la Evil Dead (waarvoor Joel Coen de montage deed) uit de grond zetten. Maar vooral bij de droomsequentie die de bijfiguur ‘de eenzame motorrijder van de Apocalyps’ introduceert, moeten ze zich in de handen hebben gewreven. Een wand van vuur waar hij doorheen springt? Ja! Een close-up van een tatoeage met ‘mama didn’t love me’! Bungelende kinderschoentjes aan zijn riem!

‘Hij was bijzonder wreed tegenover kleine dingen’, verbastert een voice-over een citaat uit The Night of the Hunter , terwijl de motorrijder opduikt achter een konijntje. De duistere ‘Easy Rider ’ – woeste baard, zwartgeblakerd – trekt met zijn tanden de pin uit een granaat en gooit. Het konijntje snuffelt aan het ding. Het volgende shot is leuk – niet vanwege de verrassing, maar door de voorpret.

En toch. Hoe goed gevonden ook: alleen grappig is niet genoeg. Bijna ongemerkt maken de Coens de motorrijder ook beangstigend. Niet vanwege het konijntje, maar omdat zijn vertrokken gezicht vrij laat in beeld komt en ook daarna amper goed te bekijken valt. Regelmatig volgt de camera zijn blik terwijl hij als een razende op zijn doel af gaat en dag en nacht voorbij glijden. Een monster is het. Het knappe van de Coens is dat ze – ondanks al hun details, verwijzingen en inside-jokes – deze gevoelsmatige laag geen moment vergeten.

Geen façade

De cinema brengt haar personages graag onder in griezelige hotels. Zo’n hotel laat zich gemakkelijk introduceren, bijvoorbeeld met een angstig makend shot omhoog van de façade, badend in kil licht en veel schaduwpartijen.

In Barton Fink doen de gebroeders Coen het anders. Schrijver Fink had beter een andere plek kunnen kiezen dan het Hotel Earle om aan zijn eerste Hollywoodscript te werken, maar dat zie je aan de buitenkant niet af. Die is er namelijk niet. Het eerste shot van het Earle is meteen in de desolate foyer. Verder tonen de Coens de lift, de eindeloze gang waaraan Finks kamer grenst en de kamer zelf - maar nooit het hotel zoals het er van buiten uitziet. Omdat er geen buiten is. Geen façade, geen oprijlaan, geen luifel, niets. Dat is pas echt griezelig. Geen wonder dat de foyer zo leeg is en zo stil.

Het komt door die stilte dat de baliebel zo onnatuurlijk lang nagalmt nadat Fink erop heeft geslagen. Alle handeling staat stil terwijl het geluid wegsterft: al twintig seconden galmt de bel wanneer eindelijk iets begint te rommelen. Ondergronds. Een luikje in de vloer gaat open. Eindelijk, de receptionist. Met lichte druk van zijn wijsvinger stopt hij de bel. Pas wanneer het geluid wegvalt, blijkt het er nog steeds te zijn geweest. Na 30 seconden. Als een nare oorsuis.

‘ Welkom bij het Hotel Earle. Hoe kan ik u helpen?’

Fink had meteen rechtsomkeert moeten maken. Dat had hij kunnen horen. Te veel doodse stilte om gezond te kunnen schrijven.

Bowlingfantasie

Droomscènes komen in veel films voor, maar ze hebben niet vaak hun eigen openingscredits. ‘Gutterballs’ heet het filmpje dat in The Big Lebowski de aanvankelijk glorieuze, uiteindelijk nogal grimmige trip van Jeff ‘The Dude’ Lebowski weergeeft, nadat hij is gedrogeerd door pornobaas Jackie Treehorn.

The Dude, een bedrieglijk flegmatieke ex-hippie, wil alleen maar zijn tapijtje terug, dat vanwege een persoonsverwisseling geruïneerd is. Het brengt hem in het onderwereldmilieu van mannen als Treehorn, terwijl hij eigenlijk gewoon op de bowlingbaan had willen blijven rondhangen.

De droom van The Dude begint dan ook als een heerlijke bowlingfantasie: met een paar zilveren schoenen danst hij een trap af, waarna hij de avantgarde-kunstenares Maude Lebowski een fraaie worp demonstreert. Tussen de benen van een stel danseresjes door vliegt hij vervolgens zelf in de richting van de pins, waar hij wordt opgewacht door drie nare rode mannetjes met grote scharen.

‘Gutterballs’ is zo geestig en zo subliem uitgevoerd dat je er keer op keer naar kunt kijken, om er telkens weer iets nieuws in te zien. Waarom deelt Saddam Hussein bowlingschoenen uit, en waarom heeft Maude Lebowski een Vikinghelm op? En wat heeft The Dude daar toch allemaal aan zijn broekriem hangen?

De combinatie van Jeff Bridges, Julianne Moore, een Busby Berkeley-achtig showballet en Kenny Rogers’ liedje I Just Dropped In (To See What Condition My Condition Was In) levert fantastische, zorgeloze, lyrische cinema op – een fraaie illustratie van de superieure nonsens waar Joel en Ethan Coen het patent op hebben.

Waar gebeurd!

Joel en Ethan Coen zijn gek op mystificaties. Hoewel ze de productie en de regie van hun speelfilmdebuut Blood Simple in eigen handen hadden, brachten ze in 2000 de director’s cut uit. Die was dertig seconden korter dan het origineel en werd ingeleid door een filmrestaurateur die herinneringen ophaalde aan 1984 , ‘een tijd dat de filmtechniek nog in de kinderschoenen stond’

Oh Brother, Where Art Thou?, een uitbundige kruising tussen slapstick en musical, gesitueerd in Mississippi tijdens de grote depressie, is volgens de begintitels gebaseerd op Homerus’ Odyssee. Maar de verwijzingen naar bizarre mijlpalen en personages uit de Amerikaanse (sub-)cultuur zijn vele malen talrijker dan naar Homerus’ epische gedicht. In interviews lieten de Coens dan ook weten de Odyssee nooit te hebben gelezen.

Een tekst aan het begin van Fargo meldt dat de film is gebaseerd op ware gebeurtenissen, die plaatsvonden in Minnesota anno 1987. ‘Op verzoek van de overlevenden zijn de namen veranderd. Uit respect voor de doden wordt verder alles exact verteld zoals het is gebeurd.’ Pas maanden na de release gaven de Coens toe dat het verhaal over de bloederige ontvoering van voor tot achter was verzonnen.

Op de eindtitels is nog een mystificatie te vinden. De broers monteerden Fargo zelf, maar deden dat onder de naam Roderick Jaynes. Die imaginaire editor lieten ze ook voorwoorden schrijven voor enkele van hun scenario´s; teksten waarin hij zich uitgebreid over de Coens beklaagt. Jaynes’ montage van Fargo werd genomineerd voor een Oscar.