filmjaar 2016

Als je maar gelukkig bent

Whatever Works van Woody Allen

Oliver Kerkdijk ,

Het maakt niet uit welke onorthodoxe vorm je leven en liefde hebben, dat leert cultuurpessimist Boris in de nieuwe Woody Allen-film Whatever Works.

 ‘And just so you know, this is not the feelgood movie of the year. So, if you’re one of those idiots who needs to feel good: go get yourself a foot massage.’

Gepensioneerd en gescheiden natuurfysicus in de quantummechanica Boris Yellnikoff (Larry David) zet in de hatelijk-geestige openingsscène van Whatever works meteen maar even de punt op de i. Opstaand van het New Yorkse terrastafeltje waaraan hij zijn grafduistere visie op de mensheid voor de zoveelste keer aan zijn vrienden heeft uiteengezet, richt manke Boris zich rechtstreeks tot de kijker. Met een in sarcasme gebeeldhouwde boutade contra de kwaadaardigheid, kuddediermentaliteit en algehele stupiditeit van de homo sapiens is de toon voor de komende 86 minuten feestelijk gezet. En zo gedreven als de acteur de azijnpisser ook gestalte geeft, zo klaar als een klontje is het dat hier Larry noch Boris staat te oreren. Niemand anders dan regisseur Woody Allen zelf spreekt hier direct tot zijn publiek, met als subtekst: ik heb het een en ander op m’n lever en die dingen ga ik u eens fijn aanschouwelijk maken.


Woody Allen en Larry David op de set

Na zijn tripelvrijage met Londen ( Match point/ Scoop/ Cassandra’s Dream) en het Spaanse uitje Vicky Cristina Barcelona is Allen weer thuis in New York – eventjes, want zijn volgende film nam hij zomer 2009 in Europa op. Zeker sinds zijn affaire/ huwelijk met zijn stiefdochter is Woody artistiek ietwat zwalkende. Adverteerde VCB wel heel erg ongegeneerd met aantrekkelijke jongedames en naar de jaren zeventig riekende interrelationele flikflooieritis libertinus, Whatever Works heeft er gelukkig slechts een tikkie van mee. Het significante verschil zit hem in de beschouwende, vanouds gevatte nuchterheid waarmee de maker deze keer zijn preoccupaties tegemoet treedt. Misschien maakt de gelouterde Allen hier stiekem wel een beetje de balans op van een turbulente levensfase vol persoonlijke en publieke worstelingen. Daarbij fungeert Seinfeld-medebedenker Larry David als op maat gesneden buikspreekpop, fysiek lijken de twee sowieso uit dezelfde Brooklyn-mal gegoten.

Pygmalion meets Lolita
Teneinde de bioscoopbezoeker ook na het lezen van dit artikel maximaal Woody- amusement te garanderen beperken we de plotbeschrijving tot het minimum. Spil van Whatever Works is zoals gezegd wandelende galblaas en zelfverklaard genie Boris Yellnikoff, sinds zijn scheiding van de perfecte echtgenote woonachtig op driehoogachter in Chinatown. Wanneer hij op een avond de trap naar zijn appartement beklimt staat de wildvreemde en ietwat haveloos ogende Melody St. Anne Celestine ( Evan Rachel Wood) voor zijn neus. Met een moddervette southern drawl smeekt het meisje uit Mississippi hem om wat eten. Cynicus Boris laat haar – niet zonder eerst zijn samenvatting van het aardse tranendal te hebben gegeven – met tegenzin even binnen. Aftrap voor een, eufemistisch uitgedrukt, curieuze relatie .

Ouwe bok, jong blaadje. Is dit dus een Allen-variant op het Pygmalion-meets- Lolita-verhaalsyndroom? Ja en nee. De buikspreekact David/Allen is bij vlagen zo bar en boos geestig dat het oudemannenfantasietjesgehalte secundair wordt.
Schoof de kijker tijdens Vicky Cristina Barcelona soms met plaatsvervangende schaamte in de fauteuil heen en weer, van Whatever Works kan onbezwaard en stilgezeten worden genoten. Deze keer geen met Allenismen slecht gemaskeerde hijgerigheid, maar een laconiek oprechte zedenkomedie in de ware zin des woords. Al spreekt Boris’ openingstirade het faliekant tegen, dit is zelfs de aandoenlijkste Allen sinds oeuvretoppers Hannah and Her Sisters (1986) en Radio Days (1987). Dat diverse nevenfiguren opnieuw het schetsboekniveau niet ontstijgen en het scenario allerluchtigst met krasse karakter- en situatieveranderingen omspringt, doet wederom nauwelijks terzake. Levende karikaturen Boris en Melody zijn filmvullend en, gevoed met Allens schuurpapierhumor, volkomen aan elkaar gewaagd. Wanneer plotseling Melody’s Jezus-omarmende en alcoholliefhebbende moeder Marietta ( Patricia Clarkson) in New York opduikt, vraagt Melody aan Boris: ‘Where can I take her which is fun?’ Boris’: ‘How about the Holocaust museum?’ Wie anders dan Allen komt met zulke politiek incorrecte projectielen weg?

Whatever works gaat op het regisseurscurriculum als een beduidend betere film dan die over Vicky en Cristina in ansichtkaarten-Barcelona. Hopelijk zet de meester-verstrooier met Untitled Woody Allen London project 2010 de zelfcorrigerende stijgende lijn voort. Met Anthony Hopkins en Naomi Watts op de titelrol van die film vallen vast ook de drie gezichtsuitdrukkingen van Antonio Banderas te tolereren. Eén voor Allen, Allen voor één !