Van Sapiens naar Machinus

Bennie Mols ,

Alles wat volgens de natuurwetten kan, zouden we ‘natuurlijk’ moeten noemen, ook de mens die steeds meer versmelt met technologie.

In 1993 zond de VPRO de legendarische tv-serie Een schitterend ongeluk uit. De titel verwijst naar de mens als een schitterend ongeluk van het toevalsproces dat evolutie heet. Zes wetenschappers lieten hun licht schijnen over de vraag waartoe de wetenschap de mens eind twintigste eeuw had gebracht. Anno 2015, ruim twintig jaar later, hebben ontwikkelingen in met name de biotechnologie en de neurotechnologie ertoe geleid dat de mens de eerste stappen heeft gezet op weg naar een Houdini-achtige ontsnapping aan de biologische beperkingen van dat schitterende ongeluk.
Laten we bij wijze van gedachte-experiment eens filosoferen over de ontwikkeling van Homo sapiens die zich opwaardeert met technologie. De Britse futuroloog Ian Pearson beschrijft de versmelting van mens en techniek als een drietraps­raket. In de eerste trap hebben mensen een vrijwel volledig biologisch lichaam dat hier en daar is aangepast met technologie. Pearson noemt deze mensensoort de Homo cyberneticus.

U en ik staan aan het begin van de Homo cyberneticus. Wereldwijd hebben tientallen miljoenen mensen een pacemaker en jaarlijks ondergaan zo’n vijftien miljoen mensen cosmetische chirurgie, voornamelijk via botox en borstimplantaten. Terwijl de pacemaker een tekortkoming van het menselijk lichaam repareert, is cosmetische chirurgie zuiver en alleen bedoeld ter verbetering (hoewel menig botoxgezicht dat logenstraft). Doping in de sport is ook een verbetertechniek, maar daarvan ligt de maatschappelijke acceptatie dan weer laag.

Zesde zintuig

Waar cosmetische chirurgie ons uiterlijk recht trekt, kan neurochirurgie ook ons innerlijk aanscherpen. Neurowetenschapper Miguel Nicolelis slaagde er in 2013 als eerste in om een zoogdier een zesde zintuig te geven. Hij rustte ratten uit met een infraroodsensor op hun kop. Het signaal werd via een breinimplantaat naar de hersenen geleid en binnen een maand leerden de ratten om infrarood licht waar te nemen.
Op de vraag hoe hij zo’n breinverbetering bij mensen voor zich ziet, antwoordde Nicolelis in een interview dat ik na die ontdekking met hem hield: ‘Bij mensen zal de aanpak op een niet-invasieve manier gebeuren, bijvoorbeeld met magnetische stimulatie van hersengebiedjes. Deze techniek staat nog in de kinderschoenen.’
De Britse hoogleraar cybernetica Kevin Warwick liet me in 2009 een litteken aan de binnenkant van zijn linkerpols zien. Hier had hij een chip laten inbrengen waarin honderd elektroden in een urenlange operatie waren gekoppeld aan de zenuwen in zijn pols. Zijn vrouw had eenzelfde operatie ondergaan. De geïmplanteerde chips bij het echtpaar stonden via een computer draadloos met elkaar in verbinding. Warwick vertelde over zijn eerste cyborgervaring: ‘Als mijn vrouw haar hand samenkneep, voelde ik een soort stroompje naar mijn vingers lopen. Het was best aangenaam. Voor haar was het juist pijnlijk: als ik mijn hand samenkneep, voelde zij dat er een soort bliksemflits door haar hand schoot.’

Hybridus

In de tweede trap van de mensverbetering verbetert Homo cyberneticus zich op twee manieren. Allereerst door te sleutelen aan zijn eigen genen om zo lichaam en geest biologisch op te voeren. Parallel hieraan worden de technieken die het menselijk brein koppelen aan de externe intelligentie van een computer steeds beter. Dat biedt nieuwe mogelijkheden om het brein op te waarderen en uit te breiden met een grotere denkkracht en meer geheugen. ­Biologie en technologie raken steeds meer met elkaar verweven in het lichaam. Futuroloog Pearson noemt deze mensensoort dan ook Homo hybridus.
In de derde trap van mensverbetering zijn nieuwe materialen en kunstmatige intelligentie zo geavanceerd geworden dat zowel het menselijk lichaam als het menselijk brein uit anorganisch materiaal bestaan dat op elk moment kan worden vervangen en aangepast. Het tijdperk van Homo machinus is aangebroken. Biologische evolutie staat buitenspel.
Pearson voorziet trouwens dat lang niet alle exemplaren van Homo sapiens zich willen upgraden. Sommige mensen zullen zich verzetten onder het mom dat het sleutelen aan de soort onnatuurlijk is. Deze exemplaren gaan een aparte mensentak vormen, die Pearson Homo sapiens ludditus noemt, vernoemd naar de beruchte luddieten, Engelse textielwerkers die begin negentiende eeuw uit verzet tegen de oprukkende mechanisering weefmachines kapot sloegen. In de Zweedse tv-serie Real Humans uit 2012 leiden vergelijkbare sentimenten trouwens tot de actiegroep ‘Echte Mensen’, die zich verzet tegen het oprukken van mensachtige robots.

Onsterfelijkheid

De meeste mensen maken op morele gronden een onderscheid tussen wat natuurlijk is en wat onnatuurlijk. Dat is een antropocentrisch onderscheid. In het grotere perspectief van de kosmos, die alleen is onderworpen aan de wetten van de natuurkunde en niet aan morele wetten, zouden we eigenlijk alles wat volgens de natuurwetten mogelijk is natuurlijk moeten noemen, ook de technieken die Homo sapiens transformeren tot Homo machinus. Het universum helpt de mens alleen een handje bij het exploreren van alle mogelijke materialen en technologieën die de wetten van het universum toestaan.
Hoe succesvol mensverbeterende technieken zullen worden, kan niemand voorspellen. Technologieën die enkele decennia geleden slechts een kwestie van tijd leken, zoals de vliegende auto, kernfusie en het koloniseren van de ruimte, laten nog steeds op zich wachten. Andere doorbraken kwamen totaal onverwacht, zoals de laser en het internet.
Biotechnologie en neurotechnologie hebben ons in enkele decennia gemaakt tot ‘het dier dat een god werd’, om met de woorden van de jonge Israëlische historicus Yuval Noah Harari te spreken. In zijn boek Sapiens schrijft hij bovendien: ‘Het is naïef om te denken dat we op elk moment aan de rem kunnen trekken en een eind kunnen maken aan de wetenschappelijke projecten die Homo sapiens upgraden tot een ander type wezen. Want deze projecten zijn onlosmakelijk verbonden met onze jacht op onsterfelijkheid.’ 
Uiteindelijk is echter ook de zich onsterfelijk wanende Homo machinus overgeleverd aan het lot van het alsmaar uitdijende, steeds leger en kouder wordende universum waarin het grote Niets aan het langste eind lijkt te trekken.