Bas Heijne

Lange tijd las ik met een half oog de artikelen over nieuwe technieken die de mens almaar ‘beter’ zouden maken. Maar dit alles bleef op afstand. Ver van mijn bed. Tot ik geconfronteerd werd met de ontwikkeling ten aanzien van kinderen met het syndroom van Down, die er steeds minder zouden zijn. Hier kreeg ik een ongemakkelijk gevoel bij. Moest ik daar niet iets van vinden? En zo ja, wat?

Langzaam begint het tot me door te dringen dat ik iets gemist heb. De revolutionaire technologische ontwikkelingen die me ieder jaar een nog slimmere computer en een nog verbazingwekkender smartphone bezorgen, lijken ook de mens zelf onherkenbaar te veranderen. Informatica, nanotechnologie, neurowetenschap en biotechnologie, het heeft tot gevolg dat het niet blijft bij wat sleutelen aan de mens maar dat de mens zijn eigen schepper wordt. Steeds meer lijkt de mens erop gericht zichzelf te herscheppen, te “verbeteren”. Bovendien lijken alle natuurlijke grenzen opgeheven – de grens tussen mens en dier, tussen mens en machine. Veel van wat ik gewend was op een verre toekomst te projecteren, blijkt nu al mogelijk – of is dat in de nabije toekomst.

Is mijn idee van wie ik ben niet volkomen achterhaald – zoiets als kinderen die wanneer je gevraagd wordt een huis te tekenen er nog altijd een puntdak dak opzetten, terwijl je die in de werkelijkheid bijna niet meer ziet? Zou ik zelf kunsthersenen willen? Zou ik 150 willen worden? Ik heb geen kinderen, maar zou ik willen dat er in een laboratorium alsnog voor nageslacht kan worden gezorgd – en wat vind ik ervan als ik mijn nageslacht precies zou kunnen krijgen als ik het wilde hebben – qua uiterlijk, qua intelligentie, qua karakter, qua fysieke capaciteiten?

Als de mens zich naar eigen inzicht kan herscheppen, want gebeurt er dan met de wereld waarin ik leef, wat gebeurt er met mijzelf en mijn relatie met andere mensen? Wat als ik besluit mezelf niet te laten “verbeteren” – raak ik dan hopeloos achterop bij anderen, word ik dan buitengesloten? En wat gebeurt er met een samenleving waarin sommigen zich “verbetering” kunnen veroorloven, en anderen niet? En wie bepaalt er welke kant het met de mens opgaat? De wetenschap kan die antwoorden niet geven, dat moet de samenleving doen.

De antwoorden op deze vragen – en de vele andere die erop volgen – heb ik niet. Daarvoor is het eerst nodig eens te gaan kijken hoever we eigenlijk zijn met deze revolutie – wat is er mogelijk, wat is er werkelijkheid, wat science fiction? En daarna wil ik in gesprek gaan met mensen die zeggen wel antwoorden te hebben op hoe we met deze ontwikkelingen moeten omgaan. Het debat speelt zich tot nu toe vooral tussen doemdenkers en goeroes af, degenen die de totale ondergang van de mens zoals wij die kennen voorspellen en degenen die de nieuwe mens de hemel op aarde beloven.

Ikzelf bevind me – voor zover ik weet – ergens tussen deze twee posities. Ik heb, zoals gezegd, een ongemakkelijk gevoel wanneer ik stukken lees over de radicale transformatie van de mens door de mens, en ook wel scepsis, maar ik heb ook een open geest – zoveel technische ontwikkelingen waar in het verleden de doemvloek werd uitgesproken, zien wij nu immers als doodnormaal.

Ik zie De Volmaakte Mens dan ook in de eerste plaats als een ontdekkingstocht. Wat is er mogelijk – en wat doen we ermee – en wat vinden we ervan? Nu al weet ik dat, als ik al antwoorden vind, ze niet definitief zullen zijn. Het is dus vooral de bedoeling dat ik (en de kijker) gaan nadenken over ontwikkelingen die veel meer zijn dan alleen opwindend of interessant. Ze zijn van wezenlijk belang. Ze zullen uiteindelijk de manier waarop we naar onszelf en naar de wereld kijken blijven veranderen.