de goden zien alles

Francine van der Wiel

In zijn theaterwerk combineert Lemi Ponifasio (1963) actuele maatschappelijke thema’s met een extreme, esthetische vormgeving. Zo ook in The Crimson House, dat zowel doet denken aan het werk van Robert Wilson als aan Japanse butoh.

De titel The Crimson House verwijst naar de Samoaanse mythologie, maar ook naar de huidige praktijk van overheden en veiligheidsdiensten, die de burger steeds intensiever bespieden. Hoe ziet u die relatie?

The Crimson House verwijst naar de Fale’ula, het eerste huis op aarde. Het werd gebouwd voor de goden, om de mensen in de gaten te houden. De rode kleur is afkomstig van het bloed van ter dood gebrachte veroordeelden. Surveillance als concept is er altijd geweest, denk aan Adam en Eva: hun zonde werd door de alwetende God gezien. In principe is er niets tegen een mate van controle, maar tegenwoordig verzamelen overheden om de verkeerde redenen informatie over hun burgers. Niet recht, maar macht is het doel geworden.’

Bent u door WikiLeaks en Edward Snowden op dit onderwerp gekomen?
‘Nee, ik dacht er al eerder over na. Vanaf het moment dat ik met een Maori-activist ben gaan samenwerken, is ons gezelschap lange tijd gevolgd. Dan merk je wat dat inhoudt: niet alleen jij wordt aangehouden op een luchthaven, ook anderen, je ouders bijvoorbeeld, worden gefouilleerd. En niemand die zich verzet. Ik maak me daar enorm druk over.’

Het thema wordt, op een afbeelding van een computerchip na, niet concreet vormgegeven in de bijna geheel zwart-witte voorstelling. Waarom bent u zo terughoudend?
‘Ik houd niet van realiteit op het toneel. Je zult bij mij dus geen stoelen of tafels zien. Een tafel is in The Crimson House gewoon een zwart vlak. Ik wil ruimte creëren zonder objecten. Daarom is de belichting zo belangrijk. Niet alleen omdat het er goed uitziet, maar het activeert de ruimte.’

Maar theater gaat om méér dan het vormgeven van ruimte. U wilt toch communiceren met het publiek?
‘Ja. Ik vul de ruimte met ideeën, jij kijkt ernaar. De voorstelling is echter geen illustratie, maar heeft zich ontwikkeld vanuit die ideeën, en fungeert als een soort voorstel om samen te reflecteren. Het theater is geen plaats voor zelfexpressie. De performers zijn ook letterlijk performers: ze doen dingen. Daar is niets artificieels aan. Ik probeer geen kunst te maken, het is gewoon een deel van mijn leven.’

Daarin bent u dus een ‘echte’ 
Samoaan: het onderscheid tussen kunst en natuur bestaat niet. Maar u heeft een hekel aan het label ‘Samoaanse choreograaf’. Waarom?
‘Om te beginnen woon en werk ik al sinds mijn vijftiende in Nieuw-Zeeland. Maar als ik over culturele verschillen praat, dan gaat men het meteen framen: o, dat is die Samoaan. Daardoor ontstaat een verwachting, een stereotype dat een hindernis vormt. Samoa? Happy people! Maar wij doen het net zo slecht als alle anderen op de wereld. Laten we eens beginnen ons te realiseren dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten, daarmee schieten we meer op dan met verschillen benadrukken.’

Stadsschouwburg Rabozaal
The Crimson House
25 en 26 juni, 20.00 uur