| ||||||
Elk hoofdstuk bestaat uit een of meerdere paragrafen. Onderaan het linker tekstscherm kunt u op 'volgende' klikken om naar de volgende pagina in de tekst te komen.
Bij elk hoofdstuk kunt u extra informatie lezen. Soms wordt hier in de hoofdtekst al naar verwezen. De extra informatie staat in de losse kadertjes in het rechterscherm. U kunt die kadertjes verplaatsen, vergroten en weer verkleinen. Door op het 'reshuffle' knopje bovenaan de pagina te klikken plaatst u de kadertjes weer allemaal in het rechterscherm.
1. Inleiding
Elk hoofdstuk bestaat uit een of meerdere paragrafen. Onderaan het linker tekstscherm kunt u op 'volgende' klikken om naar de volgende pagina in de tekst te komen.
Bij elk hoofdstuk kunt u extra informatie lezen. Soms wordt hier in de hoofdtekst al naar verwezen. De extra informatie staat in de losse kadertjes in het rechterscherm. U kunt die kadertjes verplaatsen, vergroten en weer verkleinen. Door op het 'reshuffle' knopje bovenaan de pagina te klikken plaatst u de kadertjes weer allemaal in het rechterscherm.
HTML beschrijft het zichtbare en onzichtbare gedeelte van de website. Het zichtbare gedeelte van de website wordt de body van de pagina genoemd.
Naast het zichtbare gedeelte van de site, kan er binnen HTML ook onzichtbare informatie toegevoegd worden. Die onzichtbare informatie staat in de heading van een pagina en wordt meta-informatie genoemd. De meta-informatie is een beschrijving van de website in trefwoorden of andere beschrijvende vorm, die door de maker van de site is toegevoegd. De meta-informatie van een webpagina kan bekeken worden door in de browser op 'bron' of 'source' te klikken. Er wordt dan een note-pad documentje geopend waarin de code van de website zichtbaar wordt. Hierin is ook de al of niet toegevoegde meta-informatie terug te vinden.
2. Werking zoekmachines
HTML beschrijft het zichtbare en onzichtbare gedeelte van de website. Het zichtbare gedeelte van de website wordt de body van de pagina genoemd.
Naast het zichtbare gedeelte van de site, kan er binnen HTML ook onzichtbare informatie toegevoegd worden. Die onzichtbare informatie staat in de heading van een pagina en wordt meta-informatie genoemd. De meta-informatie is een beschrijving van de website in trefwoorden of andere beschrijvende vorm, die door de maker van de site is toegevoegd. De meta-informatie van een webpagina kan bekeken worden door in de browser op 'bron' of 'source' te klikken. Er wordt dan een note-pad documentje geopend waarin de code van de website zichtbaar wordt. Hierin is ook de al of niet toegevoegde meta-informatie terug te vinden.
Om te bepalen waar een site over gaat, worden de woorden in de tekst geteld. Woorden die vaker in een tekst voorkomen, zeggen meer over de inhoud van de tekst dan woorden die minder vaak voorkomen. Ook speelt de positie van woorden in een tekst een rol. Woorden aan het begin van de tekst tellen zwaarder mee dan woorden die aan het eind van de tekst gebruikt worden. Ten slotte zegt ook de opmaak van een tekst iets over het onderwerp van de tekst. Woorden die in de kop staan, vetgedrukt, cursief of onderstreept zijn, tellen ook weer zwaarder mee bij de tekstanalyse.
Om te voorkomen dat veelgebruikte stopwoorden, zoals met, zijn, kan, ik, hoe et cetera meegeteld worden, gebruiken de bots een lijst met woorden die bij de telling genegeerd worden.
Een ander probleem bij automatische tekstanalyse is dat woorden in verschillende vervoegingen of gedaantes er niet hetzelfde uitzien maar wel de zelfde betekenis kunnen hebben. Een website over fietsen kan bijvoorbeeld de woorden fietsen, fietsje, fiets en fietsjes bevatten. Door de verschillende gedaantes van het woord fiets in de tekst te gebruiken, kan een zoekalgoritme dat alleen rekening houdt met de frequentie van een bepaald woord in de tekst, de conclusie trekken dat de tekst niet gaat over fietsen, maar over een ander veel voorkomend woord in de tekst.
Dit probleem is gedeeltelijk te ondervangen door de woorden terug te brengen tot de stam van het woord. In het engels wordt dit proces stemming genoemd. Hiervoor wordt een lijst met veel voorkomende toevoegingen gebruikt, zoals -tje, -ing, -en et cetera. Uiteraard is dit systeem ook niet sluitend. Een woord als verwarming wordt dan bijvoorbeeld teruggebracht tot verwarm. Hier kan dan ook weer een lijst met uitzonderingen voor worden opgesteld. Een goed werkend algoritme te schrijven voor een nauwkeurige bodyindexatie is dus nog wel een behoorlijke klus.
Nadelen bodyindexatie
Een groot nadeel van bodyindexatie is dat het vrij gemakkelijk te misleiden is door de makers van de site zelf. Dit kan bijvoorb
2. Werking zoekmachines
Om te bepalen waar een site over gaat, worden de woorden in de tekst geteld. Woorden die vaker in een tekst voorkomen, zeggen meer over de inhoud van de tekst dan woorden die minder vaak voorkomen. Ook speelt de positie van woorden in een tekst een rol. Woorden aan het begin van de tekst tellen zwaarder mee dan woorden die aan het eind van de tekst gebruikt worden. Ten slotte zegt ook de opmaak van een tekst iets over het onderwerp van de tekst. Woorden die in de kop staan, vetgedrukt, cursief of onderstreept zijn, tellen ook weer zwaarder mee bij de tekstanalyse.
Om te voorkomen dat veelgebruikte stopwoorden, zoals met, zijn, kan, ik, hoe et cetera meegeteld worden, gebruiken de bots een lijst met woorden die bij de telling genegeerd worden.
Een ander probleem bij automatische tekstanalyse is dat woorden in verschillende vervoegingen of gedaantes er niet hetzelfde uitzien maar wel de zelfde betekenis kunnen hebben. Een website over fietsen kan bijvoorbeeld de woorden fietsen, fietsje, fiets en fietsjes bevatten. Door de verschillende gedaantes van het woord fiets in de tekst te gebruiken, kan een zoekalgoritme dat alleen rekening houdt met de frequentie van een bepaald woord in de tekst, de conclusie trekken dat de tekst niet gaat over fietsen, maar over een ander veel voorkomend woord in de tekst.
Dit probleem is gedeeltelijk te ondervangen door de woorden terug te brengen tot de stam van het woord. In het engels wordt dit proces stemming genoemd. Hiervoor wordt een lijst met veel voorkomende toevoegingen gebruikt, zoals -tje, -ing, -en et cetera. Uiteraard is dit systeem ook niet sluitend. Een woord als verwarming wordt dan bijvoorbeeld teruggebracht tot verwarm. Hier kan dan ook weer een lijst met uitzonderingen voor worden opgesteld. Een goed werkend algoritme te schrijven voor een nauwkeurige bodyindexatie is dus nog wel een behoorlijke klus.
Nadelen bodyindexatie
Een groot nadeel van bodyindexatie is dat het vrij gemakkelijk te misleiden is door de makers van de site zelf. Dit kan bijvoorbeeld door in een onleesbaar klein lettertje heel veel extra informatie aan de site toe te voegen die er eigenlijk niet toe doet. De site over fietsen kan dan bijvoorbeeld ook hele lappen tekst op de pagina zetten over auto’s, brommers, openbaar vervoer en vakantie. Het algoritme dat de site beoordeelt, kan de conclusie trekken dat de site zowel over fietsen, auto’s, brommers, openbaar vervoer en vakantie gaat en zal de site dus hoog plaatsen onder elk van deze zoektermen. Een tweede manier om dit soort verborgen teksten aan een site toe te voegen is door de extra tekst te publiceren in dezelfde kleur als de achtergrondkleur van de site. Hierdoor vallen de letters weg tegen de achtergrond. Dit principe wordt spamming genoemd.
De bodyindexatiealgoritmes worden op de veel voorkomende spammingmethodes aangepast. Sites die betrapt worden op spamming, worden uit de database van de zoekmachine verwijderd. Toch blijven webbeheerders manieren ontwikkelen om de algoritmes van zoekmachines te misleiden.
Meta-informatie
De meta-informatie van websites wordt bijna niet meer door zoekmachines gebruikt omdat er te gemakkelijk misbruik van te maken is. Namelijk door heel veel meta-informatie toe te voegen of door meta-informatie toe te voegen die weinig met de inhoud van de site te maken heeft.
Meta crawlers
Meta crawlers zijn algoritmes die door metazoekmachines gebruikt worden. Dit moet niet verward worden met de metadata in de heading van een website. Metazoekmachines indexeren de resultaten uit andere zoekmachines. De algoritmes die hiervoor ontwikkeld worden heten meta crawlers. Een voorbeeld van een dergelijke zoekmachine is metacrawler.
2. Werking zoekmachines
Meta-informatie
De meta-informatie van websites wordt bijna niet meer door zoekmachines gebruikt omdat er te gemakkelijk misbruik van te maken is. Namelijk door heel veel meta-informatie toe te voegen of door meta-informatie toe te voegen die weinig met de inhoud van de site te maken heeft.
Meta crawlers
Meta crawlers zijn algoritmes die door metazoekmachines gebruikt worden. Dit moet niet verward worden met de metadata in de heading van een website. Metazoekmachines indexeren de resultaten uit andere zoekmachines. De algoritmes die hiervoor ontwikkeld worden heten meta crawlers. Een voorbeeld van een dergelijke zoekmachine is metacrawler.
Waar de body en heading van een webpagina iets zeggen over de inhoud van een bepaalde site, kunnen de links naar een website iets zeggen over de autoriteit van een site ten opzichte van andere sites die over hetzelfde onderwerp gaan. Een link naar een site wordt dan als het ware gezien als een stem voor die site.
Dit principe bestaat al langer. Zo bestaat er ook voor wetenschappelijke publicaties een waarde-indicatie op basis van het aantal referenties dat er naar een bepaald artikel gemaakt is. Hoe meer er in wetenschappelijke publicaties naar een tekst gerefereerd wordt, hoe belangrijker de tekst.
Dat was ook het uitgangspunt voor twee studenten van Stanford University bij het ontwikkelen van een algoritme op basis van links, Larry Page en Sergey Brin. Het door hun ontwikkelde algoritme, Pagerank genaamd, vormt de basis van het succes van Google, dat het afstudeerproject was van een van de twee.
Eind jaren negentig is nog een algoritme ontwikkeld dat links gebruikt om de autoriteit van een site te bepalen: HITS (Hyperlink Induced Topic Search). HITS is ontwikkeld door Jon Kleinberg van het IBM Almaden research centrum.
Pagerank
De pagerank bot gedraagt zich als een willekeurige surfer op het web. Het begint op zomaar een site van het Internet, en volgt vandaar af de verwijzingen naar andere websites. Na een aantal sites te hebben bezocht, stopt de bot met de indexatie via dit punt, en start het met zomaar een andere webpagina. De kans dat een bot een webpagina bezoekt door het volgen van links is de pagerank van een pagina. Zodoende wordt ook meer gewicht gegeven aan sites waar belangrijke sites (dat wil zeggen, sites met een hoge pagerank) naar linken. De site over fietsen heeft dus meer baat bij een link vanaf de site van de Nederlandse Fietsersbond dan een link vanaf een pagina over bandenplakken van de overbuurman.
Het is niet gemakkelijk om een pagerank bot om de tuin te leiden, omdat de beheerder van een website niet zelf een link naar de eigen pagina op andere websites kan plaatsen. T
2. Werking zoekmachines
Waar de body en heading van een webpagina iets zeggen over de inhoud van een bepaalde site, kunnen de links naar een website iets zeggen over de autoriteit van een site ten opzichte van andere sites die over hetzelfde onderwerp gaan. Een link naar een site wordt dan als het ware gezien als een stem voor die site.
Dit principe bestaat al langer. Zo bestaat er ook voor wetenschappelijke publicaties een waarde-indicatie op basis van het aantal referenties dat er naar een bepaald artikel gemaakt is. Hoe meer er in wetenschappelijke publicaties naar een tekst gerefereerd wordt, hoe belangrijker de tekst.
Dat was ook het uitgangspunt voor twee studenten van Stanford University bij het ontwikkelen van een algoritme op basis van links, Larry Page en Sergey Brin. Het door hun ontwikkelde algoritme, Pagerank genaamd, vormt de basis van het succes van Google, dat het afstudeerproject was van een van de twee.
Eind jaren negentig is nog een algoritme ontwikkeld dat links gebruikt om de autoriteit van een site te bepalen: HITS (Hyperlink Induced Topic Search). HITS is ontwikkeld door Jon Kleinberg van het IBM Almaden research centrum.
Pagerank
De pagerank bot gedraagt zich als een willekeurige surfer op het web. Het begint op zomaar een site van het Internet, en volgt vandaar af de verwijzingen naar andere websites. Na een aantal sites te hebben bezocht, stopt de bot met de indexatie via dit punt, en start het met zomaar een andere webpagina. De kans dat een bot een webpagina bezoekt door het volgen van links is de pagerank van een pagina. Zodoende wordt ook meer gewicht gegeven aan sites waar belangrijke sites (dat wil zeggen, sites met een hoge pagerank) naar linken. De site over fietsen heeft dus meer baat bij een link vanaf de site van de Nederlandse Fietsersbond dan een link vanaf een pagina over bandenplakken van de overbuurman.
Het is niet gemakkelijk om een pagerank bot om de tuin te leiden, omdat de beheerder van een website niet zelf een link naar de eigen pagina op andere websites kan plaatsen. Toch komt het voor dat een pagerank kunstmatig hoog gehouden wordt. Bijvoorbeeld als een webbeheerder veel sites onder beheer heeft en die onderling allemaal naar elkaar laat verwijzen. Dit wordt ook wel linkfarming genoemd.
Een nadeel van het pagerank-principe is dat de zoekopdracht van de gebruiker niet in de berekening wordt meegenomen. Het kan dus zijn dat de gebruiker op zoek is naar simpele informatie over bandenplakken. Hij zou dus gebaat zijn bij een site als die van de overbuurman. Maar omdat er bijna geen links naar deze site zijn, komt die niet bij de eerste twintig zoekresultaten terug. Om dit probleem te ondervangen wordt door Google ook gebruik gemaakt van andere factoren om zoekresultaten te sorteren. Zo kijkt Google niet alleen naar het aantal keer dat een trefwoord voorkomt, maar ook naar linkteksten die andere websites opnemen. Deze linkteksten vormen een goede beschrijving van de pagina waar ze naar toe verwijzen.
HITS
HITS is een iets complexere methode dan Pagerank. Het algoritme probeert voor brede zoekopdrachten (van een of twee woorden) de inhoudelijk meest relevante zoekresultaten boven tafel te krijgen. Het maakt gebruik van de resultaten van verschillende zoekmachines om tot dit resultaat te komen.
Om te beginnen haalt het algoritme een startcollectie van ongeveer tweehonderd resultaten op uit een zoekmachine die werkt met bodyindexatie, zoals Alta Vista. Van die startcollectie wordt de omgeving verkend. De omgeving wordt gevormd door de sites waarnaar de startcollectie zelf linkt, plus de sites die linken naar pagina’s binnen de startcollectie. Om die tweede groep te kunnen bepalen wordt van een zoekmachine als Google gebruik gemaakt. Binnen Google is het mogelijk op te vragen welke sites naar een bepaalde webpagina linken.
Binnen HITS wordt onderscheid gemaakt tussen twee categorieën sites: authority sites en hub sites. Authority sites zijn sites die inhoudelijk hoog scoren op een trefwoord. Hub sites zijn sites met veel relevante links naar sites die hoog scoren op een trefwoord. Hoe hoger de hubscore van een authority site, hoe belangrijker deze wordt geacht. Andersom geldt ook dat een hogere autoriteitsscore van een hubpagina bijdraagt aan het gewicht van de hubpagina. Via dit principe kunnen de pagina’s met de hoogste autoriteit op een bepaald terrein worden gevonden. Voordeel is dat de resultaten bij een brede zoekopdracht meestal relevanter zijn dan bij een zoekmachine die met pagerank werkt. Nadeel is dat HITS afhankelijk is van de resultaten van andere zoekmachines. Bovendien moeten de berekeningen voor elke startcollectie opnieuw gemaakt worden, wat langer duurt dan bij een reguliere zoekmachine waarbij gebruik gemaakt wordt van een eigen database. De zoekmachine Teoma is naar eigen zeggen de enige zoekmachine die volgens dit principe werkt.
Er zijn verschillende redenen voor dat zoekmachines niet alles zien. In de eerste plaats is het web een dynamisch netwerk. Dagelijks komen er sites bij en verdwijnen er sites. De verdwenen sites worden gerekend tot het onzichtbare web. Het onzichtbare web bevat alle webpagina's die ofwel beveiligd zijn en dus niet voor iedereen toegankelijk, of offline gehaald zijn, of in een database achter een dynamische webpagina opgeslagen staan. Die dynamische website wordt dan als één pagina geteld, terwijl er eigenlijk veel meer pagina's opgeroepen kunnen worden binnen die pagina.
De omvang van het web is moeilijk te bepalen. Want waar kijk je precies naar? Het aantal webpagina's? Het aantal aangesloten computers? Het aantal geregistreerde domeinnamen? Of de omvang van de webruimte? In een artikel van HCCnet uit 2005 (zie link hieronder) zijn een aantal statistieken samengebracht die een beeld geven van bovenstaande parameters. Het aantal aangesloten computers wordt voor 2007 geschat op 1,35 miljard. Het aantal geregistreerde domeinnamen was in 2005 volgens isc.org 318 miljoen. Serieuze schattingen van de omvang van het Internet in webruimte, zijn er niet. Dat komt vooral omdat een groot deel van het Internet onzichtbaar is. Bovendien is het lastig de gemiddelde omvang van een webpagina te schatten. Gold in 2000 nog dat de gemiddelde omvang van een webpagina 10Kb was, inmiddels gaat dat niet meer op.
De Universiteit van Berkeley heeft de volgende tabel op haar site staan. Het gaat om een schatting van het dataverkeer op Internet in 2002:
Omvang van het Internet in terabytes
Medium/ Terabytes
Zichtbare Web/ 167
Onzichtbare Web/ 91,850
E-mail (originelen)/ 440,606
Instant messaging/ 274
TOTAL/ 532,897
Bron: Berkeley
Eén terabyte staat gelijk aan één miljard bytes. Google had in 2002 naar eigen zeggen 3 miljard pagina's geïndexeerd. Dat zijn er inmiddels meer dan 8 miljard. Het is denkbaar dat het Internet in die vier jaar in gelijke mate is toegenomen. En dus ook het aantal terabytes dat het web groot is.
2. Werking zoekmachines
Er zijn verschillende redenen voor dat zoekmachines niet alles zien. In de eerste plaats is het web een dynamisch netwerk. Dagelijks komen er sites bij en verdwijnen er sites. De verdwenen sites worden gerekend tot het onzichtbare web. Het onzichtbare web bevat alle webpagina's die ofwel beveiligd zijn en dus niet voor iedereen toegankelijk, of offline gehaald zijn, of in een database achter een dynamische webpagina opgeslagen staan. Die dynamische website wordt dan als één pagina geteld, terwijl er eigenlijk veel meer pagina's opgeroepen kunnen worden binnen die pagina.
De omvang van het web is moeilijk te bepalen. Want waar kijk je precies naar? Het aantal webpagina's? Het aantal aangesloten computers? Het aantal geregistreerde domeinnamen? Of de omvang van de webruimte? In een artikel van HCCnet uit 2005 (zie link hieronder) zijn een aantal statistieken samengebracht die een beeld geven van bovenstaande parameters. Het aantal aangesloten computers wordt voor 2007 geschat op 1,35 miljard. Het aantal geregistreerde domeinnamen was in 2005 volgens isc.org 318 miljoen. Serieuze schattingen van de omvang van het Internet in webruimte, zijn er niet. Dat komt vooral omdat een groot deel van het Internet onzichtbaar is. Bovendien is het lastig de gemiddelde omvang van een webpagina te schatten. Gold in 2000 nog dat de gemiddelde omvang van een webpagina 10Kb was, inmiddels gaat dat niet meer op.
De Universiteit van Berkeley heeft de volgende tabel op haar site staan. Het gaat om een schatting van het dataverkeer op Internet in 2002:
Omvang van het Internet in terabytes
Medium/ Terabytes
Zichtbare Web/ 167
Onzichtbare Web/ 91,850
E-mail (originelen)/ 440,606
Instant messaging/ 274
TOTAL/ 532,897
Bron: Berkeley
Eén terabyte staat gelijk aan één miljard bytes. Google had in 2002 naar eigen zeggen 3 miljard pagina's geïndexeerd. Dat zijn er inmiddels meer dan 8 miljard. Het is denkbaar dat het Internet in die vier jaar in gelijke mate is toegenomen. En dus ook het aantal terabytes dat het web groot is.
Maar stel de site gaat over een hotel in Amsterdam. Als mensen op zoek zijn naar een hotel in Amsterdam, wil je natuurlijk dat ze bij jouw site uitkomen. Dat wordt lastig, want er zijn nog veel meer sites die gaan over hotels in Amsterdam die datzelfde willen. Het betekent dat de concurrentie voor de bovenste zoekresultaten bij deze zoekopdracht groot is. Wat je dan kunt doen is een bedrijf inschakelen die gespecialiseerd is in het optimaliseren van de zichtbaarheid van websites binnen zoekmachines. Dit wordt page ranking optimalisatie genoemd. De bedrijven die hierin gespecialiseerd zijn heten dan ook page ranking optimizers.
Zij onderzoeken de algoritmes die binnen de meest gebruikte zoekmachines gehanteerd worden en zorgen ervoor dat jouw website zoveel mogelijk aan de voorschriften van die algoritmes voldoet. Als een crawler dan jouw website aandoet, dan treft die de juiste informatie aan waardoor jouw site hoog terugkomt bij de resultaten bij bepaalde zoekopdrachten.
Dit principe is voor veel organisaties noodzakelijk geworden om zichtbaar te zijn binnen zoekmachines. Aan de andere kant moet hiermee voorzichtig worden omgegaan. Want voor gebruikers van zoekmachines (en daarmee ook voor zoekmachines zelf) is de relevantie van resultaten bij een zoekopdracht het belangrijkst. Door zoekmachines zijn daarom regels opgesteld waar page ranking optimizers zich aan moeten houden. Als ze dat niet doen dan wordt de site geweerd door de zoekmachine in kwestie. De site verdwijnt dan uit de database van de zoekmachine en is dan ook niet meer via die weg te vinden.
2. Werking zoekmachines
Maar stel de site gaat over een hotel in Amsterdam. Als mensen op zoek zijn naar een hotel in Amsterdam, wil je natuurlijk dat ze bij jouw site uitkomen. Dat wordt lastig, want er zijn nog veel meer sites die gaan over hotels in Amsterdam die datzelfde willen. Het betekent dat de concurrentie voor de bovenste zoekresultaten bij deze zoekopdracht groot is. Wat je dan kunt doen is een bedrijf inschakelen die gespecialiseerd is in het optimaliseren van de zichtbaarheid van websites binnen zoekmachines. Dit wordt page ranking optimalisatie genoemd. De bedrijven die hierin gespecialiseerd zijn heten dan ook page ranking optimizers.
Zij onderzoeken de algoritmes die binnen de meest gebruikte zoekmachines gehanteerd worden en zorgen ervoor dat jouw website zoveel mogelijk aan de voorschriften van die algoritmes voldoet. Als een crawler dan jouw website aandoet, dan treft die de juiste informatie aan waardoor jouw site hoog terugkomt bij de resultaten bij bepaalde zoekopdrachten.
Dit principe is voor veel organisaties noodzakelijk geworden om zichtbaar te zijn binnen zoekmachines. Aan de andere kant moet hiermee voorzichtig worden omgegaan. Want voor gebruikers van zoekmachines (en daarmee ook voor zoekmachines zelf) is de relevantie van resultaten bij een zoekopdracht het belangrijkst. Door zoekmachines zijn daarom regels opgesteld waar page ranking optimizers zich aan moeten houden. Als ze dat niet doen dan wordt de site geweerd door de zoekmachine in kwestie. De site verdwijnt dan uit de database van de zoekmachine en is dan ook niet meer via die weg te vinden.
Het begon allemaal met een nieuwe superchip ontwikkeld door het Amerikaanse hardwarebedrijf DEC. DEC had zijn hoogtepunt beleefd eind jaren tachtig en maakte een moeilijke tijd door begin jaren negentig. Het bedrijf was groot geworden met minicomputers, maar de markt leek zich meer te ontwikkelen richting personal computers. De superchip moest de redding worden van het bedrijf. Om te illustreren hoe goed de chip was moest er een stunt bedacht worden. DEC bedacht dat een kopie van het gehele Internet op een harde schijf de beste methode was om het vermogen van de chip te illustreren.
Om dit te bewerkstelligen werd de Fransman Monier aangetrokken. Hij ging aan het werk en ontwikkelde een methode waarbij meerdere webcrawlers simultaan het web konden indexeren. Dit was de enige manier waarop het steeds verder uitdijende web kon worden geïndexeerd en gekopieerd. Inmiddels was al wel duidelijk dat een dergelijke index de ultieme manier zou zijn om het tot dan toe ondoorzichtige web te ontsluiten.
Op 15 december 1995 ging AltaVista live. Op de eerste dag werd de site al door 300.000 gebruikers bezocht. Het eerste jaar werd een recordaantal van 4 miljard zoekopdrachten verwerkt. Het succes van de zoekmachine kende zijn weerga niet. Toch werd de applicatie door DEC niet als core business herkend. Het ging bij het bedrijf nog altijd vooral om de hardware die dit alles mogelijk maakte. En dus werd er niet verder geïnvesteerd in de zoekmachine.
Het noodlijdende DEC werd samen met AltaVista uiteindelijk overgenomen door Compaq. De nieuwe eigenaar was ervan overtuigd schathemelrijk te worden met AltaVista. Het moest een portal plus worden die alle andere portals zou doen verbleken. AltaVista werd verpakt in een flitsende portal met veel reclame en andere opsmuk. Het succes bleef echter uit. Monier nam in 1999 ontslag en met de dotcom crash in het vooruitzicht werd de zoekmachine doorverkocht.
De nieuwe eigenaar CMGI probeerde de zoekmachine met een agressieve reclamecampagne opnieuw aan de man te brengen, maar h
2. Werking zoekmachines
Het begon allemaal met een nieuwe superchip ontwikkeld door het Amerikaanse hardwarebedrijf DEC. DEC had zijn hoogtepunt beleefd eind jaren tachtig en maakte een moeilijke tijd door begin jaren negentig. Het bedrijf was groot geworden met minicomputers, maar de markt leek zich meer te ontwikkelen richting personal computers. De superchip moest de redding worden van het bedrijf. Om te illustreren hoe goed de chip was moest er een stunt bedacht worden. DEC bedacht dat een kopie van het gehele Internet op een harde schijf de beste methode was om het vermogen van de chip te illustreren.
Om dit te bewerkstelligen werd de Fransman Monier aangetrokken. Hij ging aan het werk en ontwikkelde een methode waarbij meerdere webcrawlers simultaan het web konden indexeren. Dit was de enige manier waarop het steeds verder uitdijende web kon worden geïndexeerd en gekopieerd. Inmiddels was al wel duidelijk dat een dergelijke index de ultieme manier zou zijn om het tot dan toe ondoorzichtige web te ontsluiten.
Op 15 december 1995 ging AltaVista live. Op de eerste dag werd de site al door 300.000 gebruikers bezocht. Het eerste jaar werd een recordaantal van 4 miljard zoekopdrachten verwerkt. Het succes van de zoekmachine kende zijn weerga niet. Toch werd de applicatie door DEC niet als core business herkend. Het ging bij het bedrijf nog altijd vooral om de hardware die dit alles mogelijk maakte. En dus werd er niet verder geïnvesteerd in de zoekmachine.
Het noodlijdende DEC werd samen met AltaVista uiteindelijk overgenomen door Compaq. De nieuwe eigenaar was ervan overtuigd schathemelrijk te worden met AltaVista. Het moest een portal plus worden die alle andere portals zou doen verbleken. AltaVista werd verpakt in een flitsende portal met veel reclame en andere opsmuk. Het succes bleef echter uit. Monier nam in 1999 ontslag en met de dotcom crash in het vooruitzicht werd de zoekmachine doorverkocht.
De nieuwe eigenaar CMGI probeerde de zoekmachine met een agressieve reclamecampagne opnieuw aan de man te brengen, maar het ooit zo geliefde merk AltaVista had afgedaan. Zoekende internetgebruikers waren inmiddels overgestapt naar nieuwe zoekmachines.
De zorgen van de Duitse wetenschapper lijken nauwelijks terug te vinden te zijn bij de Nederlandse burger. “Voor een commercieel bedrijf als Google met een dergelijk marktaandeel, zijn vergelijkingen met de Nederlandse Spoorwegen en Microsoft op zijn plaats, desalniettemin ziet bijna niemand deze monopoliepositie als probleem”, aldus Webers.
En niet alleen de Nederlandse burger maakt zich niet druk over Google’s enorme marktaandeel, ook de Nederlandse overheid ziet Google meer als prettig gebruiksvoorwerp dan als gevaarlijke monopolist. “Zolang Google geen rare dingen doet, vindt de overheid het een ideaal middel om de burger te bereiken. En wat dat betreft is het voor overheden alleen maar makkelijker dat Google een groot marktaandeel heeft, want ze hoeven dan niet in tien zoekmachines bovenaan te staan”, zo zegt Webers. Het feit dat ook ministeries Search Engine Optimizers (SEO’s) inhuren om hun informatie zichtbaar te maken in zoekmachines onderschrijft Webers bevinding.
Volgens de wetenschapper uit Hannover is Google als enige poort tot het internet te vatbaar voor marktinvloeden, want sinds de opkomst van Google wordt de markt overspoeld door Search Engine Optimizers, die bij het beïnvloeden van de ‘ranking’ voor hun klanten (veelal commerciële bedrijven) alleen nog aandacht hebben voor het ‘manipuleren’ van Google en niet voor andere zoekmachines. “Het alleenrecht van Google maakt de manipulatie voor Search Engine Optimizers (SEO’s) te gemakkelijk”, aldus Beuermann. Bovendien kunnen grote, vermogende bedrijven zich volgens hem te gemakkelijk handhaven in de strijd om een goed plekje in de zoekresultaten van Google, omdat zij genoeg geld ter beschikking hebben om SEO’s in de hand te nemen.
Marco van Veen, algemeen directeur van het Search Engine Media Bureau Checkit, beaamt dat zij zich wat betreft optimalisatie van websites met name op de zoekmachine Google richten. Immers, zo stelt hij, wordt deze zoekmachine in Nederland het meeste gebruikt. Wegens de tevredenheid van de gebruikers ziet Van V
3. Google's monopolie
De zorgen van de Duitse wetenschapper lijken nauwelijks terug te vinden te zijn bij de Nederlandse burger. “Voor een commercieel bedrijf als Google met een dergelijk marktaandeel, zijn vergelijkingen met de Nederlandse Spoorwegen en Microsoft op zijn plaats, desalniettemin ziet bijna niemand deze monopoliepositie als probleem”, aldus Webers.
En niet alleen de Nederlandse burger maakt zich niet druk over Google’s enorme marktaandeel, ook de Nederlandse overheid ziet Google meer als prettig gebruiksvoorwerp dan als gevaarlijke monopolist. “Zolang Google geen rare dingen doet, vindt de overheid het een ideaal middel om de burger te bereiken. En wat dat betreft is het voor overheden alleen maar makkelijker dat Google een groot marktaandeel heeft, want ze hoeven dan niet in tien zoekmachines bovenaan te staan”, zo zegt Webers. Het feit dat ook ministeries Search Engine Optimizers (SEO’s) inhuren om hun informatie zichtbaar te maken in zoekmachines onderschrijft Webers bevinding.
Volgens de wetenschapper uit Hannover is Google als enige poort tot het internet te vatbaar voor marktinvloeden, want sinds de opkomst van Google wordt de markt overspoeld door Search Engine Optimizers, die bij het beïnvloeden van de ‘ranking’ voor hun klanten (veelal commerciële bedrijven) alleen nog aandacht hebben voor het ‘manipuleren’ van Google en niet voor andere zoekmachines. “Het alleenrecht van Google maakt de manipulatie voor Search Engine Optimizers (SEO’s) te gemakkelijk”, aldus Beuermann. Bovendien kunnen grote, vermogende bedrijven zich volgens hem te gemakkelijk handhaven in de strijd om een goed plekje in de zoekresultaten van Google, omdat zij genoeg geld ter beschikking hebben om SEO’s in de hand te nemen.
Marco van Veen, algemeen directeur van het Search Engine Media Bureau Checkit, beaamt dat zij zich wat betreft optimalisatie van websites met name op de zoekmachine Google richten. Immers, zo stelt hij, wordt deze zoekmachine in Nederland het meeste gebruikt. Wegens de tevredenheid van de gebruikers ziet Van Veen het grote marktaandeel niet als iets negatiefs. Bovendien is Google nog niet perfect volgens hem. Voor andere zoekmachines zijn er dus nog wel ‘gaten in de markt’, omdat het zogenoemde zoekalgoritme van Google nog in een proces van verbetering verkeert. Zeker ook omdat de aandacht van het bedrijf Google naar veel andere internetfuncties gaat. Zo wordt veel van het personeel ingezet voor andere segmenten, zoals Google Print en andere commerciële toepassingen.
Uit onderzoek van RM Interactive blijkt dat hoewel de meeste gebruikers niet weten hoe de ranking in Google tot stand komt, ze het belangrijk vinden dat de advertenties en de zoekresultaten twee aparte dingen zijn. En dat is het geval in Google. “Inderdaad is het zoekalgoritme dat Google hanteert niet transparant, maar het is maar de vraag of mensen het algoritme zouden begrijpen als het voor hun op tafel ligt. Bovendien, als je voordat Google bestond in een bibliotheekcatalogus zocht, was de manier van zoeken ook niet transparant en wist je ook niet hoeveel relevante zoekresultaten je over het hoofd zag.
De stelling van Beuermann, dat Search Engine Optimizers ervoor zorgen dat alleen grote, vermogende bedrijven zichzelf zichtbaar kunnen maken op internet, ziet Van Veen niet als bewezen. Bedrijven hebben niet per se SEB’s nodig om hun website hoog in de ranking van Google of andere zoekmachines te krijgen, want ze kunnen steeds meer zelf doen. Zo geeft Checkit onder het motto van ‘kennisoverdracht’ cursussen aan ICT medewerkers van bedrijven, zodat de bedrijven zelf de kennis in huis hebben om hun website op lange termijn te optimaliseren. Maar ook zonder cursussen kan je een eind komen, zo komen er steeds meer zelfzorg boeken op de markt: “ik geloof dat er inmiddels al een ‘Search Engine Optimization for Dummies’ bestaat, aldus Van Veen. Hoewel Checkit met name grote klanten voorziet van advies, komen er volgens Van Veen steeds meer SEB’s die zich richten op het Midden- en Klein Bedrijf (MKB). De kracht van website-optimalisatie is om specifiek aan te geven waarin je je als bedrijf onderscheidt. “Mensen zoeken namelijk steeds meer met twee trefwoorden. Dus je moet als klein bedrijf bij wijze van spreken geen billboard op de Kalverstraat willen hebben”, zo zegt Van Veen.
Blijkbaar kunnen zowel grote als kleine bedrijfjes zichzelf zichtbaar maken in een zoekmachine. Maar gaat dit dan niet ten koste van particulieren, die geen commerciële maar informerende motieven hebben? Volgens Van Veen is hier een tweeledig antwoord op. Ja, bedrijven kunnen concurreren met particuliere initiatieven, immers hebben zij veel geld en mankracht ten behoeve van optimalisatie. En nee, omdat particulieren net als kleine bedrijven veelal in niches van de markt zitten en juist het aanwenden van dat specialisme hen op de kaart zet.
Hij beargumenteert de noodzaak voor een Europese tegenhanger van Google, door middel van een voorbeeld. Zo zegt hij dat wanneer men Troy invult in Google je in plaats van een informatief verhaal over de geschiedenis van deze term, links vindt naar de Amerikaanse Hollywood productie. Dit resultaat baart hem zorgen omdat steeds meer jonge mensen Google als dé informatiebron bij uitstek hanteren. Maar als het klopt wat Van Veen zegt, dat mensen steeds meer specifiek zoeken, waaronder op twee trefwoorden, dan klopt het argument van Speck niet meer. Want typ je in Google.com ‘Troy history’ in, dan zijn de eerste hits van informatieve aard.
Sceptici die zich druk maken om het verlies van de Europese identiteit en dominantie van de Engelse taal, door het veronderstelde monopolie van Google, lijkt ook wind uit de zeilen te worden genomen. Om de reden dat “zoekmachines steeds meer gelokaliseerd aangeboden worden. Niet alleen Google is hier mee bezig, maar ook Yahoo en zeker ook Ask stellen de lokale nadruk als prioriteit”, zegt Van Veen. Zoals een lezer van een artikel over Quaero in de Financial Times schreef: “There is already a good French search engine - it's called Google.fr”. Uit onderzoek van RM Interactive blijkt ook dat gebruikers van Google heel tevreden zijn over de Nederlandse resultaten die Google.nl geeft, want juist dat is een gewaardeerd aspect van Google waarover andere zoekmachines nog niet optimaal beschikken.
3. Google's monopolie
Hij beargumenteert de noodzaak voor een Europese tegenhanger van Google, door middel van een voorbeeld. Zo zegt hij dat wanneer men Troy invult in Google je in plaats van een informatief verhaal over de geschiedenis van deze term, links vindt naar de Amerikaanse Hollywood productie. Dit resultaat baart hem zorgen omdat steeds meer jonge mensen Google als dé informatiebron bij uitstek hanteren. Maar als het klopt wat Van Veen zegt, dat mensen steeds meer specifiek zoeken, waaronder op twee trefwoorden, dan klopt het argument van Speck niet meer. Want typ je in Google.com ‘Troy history’ in, dan zijn de eerste hits van informatieve aard.
Sceptici die zich druk maken om het verlies van de Europese identiteit en dominantie van de Engelse taal, door het veronderstelde monopolie van Google, lijkt ook wind uit de zeilen te worden genomen. Om de reden dat “zoekmachines steeds meer gelokaliseerd aangeboden worden. Niet alleen Google is hier mee bezig, maar ook Yahoo en zeker ook Ask stellen de lokale nadruk als prioriteit”, zegt Van Veen. Zoals een lezer van een artikel over Quaero in de Financial Times schreef: “There is already a good French search engine - it's called Google.fr”. Uit onderzoek van RM Interactive blijkt ook dat gebruikers van Google heel tevreden zijn over de Nederlandse resultaten die Google.nl geeft, want juist dat is een gewaardeerd aspect van Google waarover andere zoekmachines nog niet optimaal beschikken.
Je IP-adres, je zogenoemde identiteitsnummer op internet, wordt door Google herkend als je van hun services gebruik maakt. Tevens stuurt Google je ‘cookies’: bestandjes die je zoekgegevens opslaan. Google gebruikt dit om zoektechniek te kunnen verbeteren (zie ook de link rechts van de tekst naar Google privacypolicy).
Is het een probleem dat Google over die informatie beschikt? Op zich kan Google aan ip-adressen, cookies en je zoekopdrachten zelden een naam of straat koppelen, aangezien daar in de een provider tussenzit. En de provider verstrekt, in naleving van privacyregelgeving, die gegevens niet aan derden, tenzij er sprake is van een gerechtelijk bevel. Bovendien kan niet alleen Google je ip-nummer zien, dat kan elke website die je op internet bezoekt. Maargoed, Google ziet je gegevens niet alleen, ze worden ook opgeslagen voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat gegevens die je niet meer op internet wilt hebben, na verwijdering nog wel beschikbaar zijn op een computer in de Verenigde Staten. Het is overigens niet gezegd dat andere zoekmachines, zoals Yahoo en MSN, niet bewust persoonlijke gegevens bewaren.
Betekent dit dat gegevens van Nederlandse burgers onder Amerikaanse privacywetgeving vallen? Volgens de Safe Harbour-Agreement waaraan minister Donner onlangs (maart 2006) in antwoord op kamervragen refereerde is dit niet het geval. Uit deze overeenkomst tussen de Europese Unie en Google is bepaald dat gegevens van Europeanen (waaronder Nederlanders), weliswaar in het bezit van Google, onder Europese privacyregelgeving vallen. Deze afspraak vormt een extra waarborg voor de privacy van EU-ingezetenen, maar geeft geen absolute garanties, aangezien ook Google onderhevig is aan de Amerikaanse wet- en regelgeving.
Google levert echter meer diensten dan alleen de zoekfunctie. Zo kan je een Gmail e-mailaccount openen. Wat betreft privacy gaat het bedrijf dan wat verder, aangezien berichten op inhoud worden gescand. Daardoor verschijnen in je persoonlijke e-mailbox advertenties waar je, op basis van de d
3. Google's monopolie
Je IP-adres, je zogenoemde identiteitsnummer op internet, wordt door Google herkend als je van hun services gebruik maakt. Tevens stuurt Google je ‘cookies’: bestandjes die je zoekgegevens opslaan. Google gebruikt dit om zoektechniek te kunnen verbeteren (zie ook de link rechts van de tekst naar Google privacypolicy).
Is het een probleem dat Google over die informatie beschikt? Op zich kan Google aan ip-adressen, cookies en je zoekopdrachten zelden een naam of straat koppelen, aangezien daar in de een provider tussenzit. En de provider verstrekt, in naleving van privacyregelgeving, die gegevens niet aan derden, tenzij er sprake is van een gerechtelijk bevel. Bovendien kan niet alleen Google je ip-nummer zien, dat kan elke website die je op internet bezoekt. Maargoed, Google ziet je gegevens niet alleen, ze worden ook opgeslagen voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat gegevens die je niet meer op internet wilt hebben, na verwijdering nog wel beschikbaar zijn op een computer in de Verenigde Staten. Het is overigens niet gezegd dat andere zoekmachines, zoals Yahoo en MSN, niet bewust persoonlijke gegevens bewaren.
Betekent dit dat gegevens van Nederlandse burgers onder Amerikaanse privacywetgeving vallen? Volgens de Safe Harbour-Agreement waaraan minister Donner onlangs (maart 2006) in antwoord op kamervragen refereerde is dit niet het geval. Uit deze overeenkomst tussen de Europese Unie en Google is bepaald dat gegevens van Europeanen (waaronder Nederlanders), weliswaar in het bezit van Google, onder Europese privacyregelgeving vallen. Deze afspraak vormt een extra waarborg voor de privacy van EU-ingezetenen, maar geeft geen absolute garanties, aangezien ook Google onderhevig is aan de Amerikaanse wet- en regelgeving.
Google levert echter meer diensten dan alleen de zoekfunctie. Zo kan je een Gmail e-mailaccount openen. Wat betreft privacy gaat het bedrijf dan wat verder, aangezien berichten op inhoud worden gescand. Daardoor verschijnen in je persoonlijke e-mailbox advertenties waar je, op basis van de door jou verzonden en ontvangen berichten, in geïnteresseerd zou kunnen zijn. Maar ook andere e-mail providers, zoals Hotmail en Yahoo Mail, scannen ingekomen berichten, aangezien ze op die manier bepalen of een bericht al dan niet bij je ongewenste berichten komen te staan.
Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft aangekondigd te onderzoeken hoe de handelswijze van Google zich verhoudt ten opzichte van privacyregelgeving. In het kader van dit onderzoek zal het CBP met soortgelijke instituties uit andere lidstaten van de Europese Unie om de tafel gaan zitten. Google heeft laten weten positief over het op handen zijnde onderzoek te zijn, omdat ze privacy van gebruikers hoog in het vaandel hebben staan.
De NMa hanteert voor het afbakenen van markten de volgende Europese definitie:
Definition of relevant product and relevant geographic market.
The regulations based on Articles 85 and 86 of the Treaty, in particular in section 6 of Form A/B with respect to Regulation 17, as well as in section 6 of Form CO with respect to regulation 4064/89 on the control of concentrations of a Community dimension have laid down the following definitions.
Relevant product markets are defined as follows:
"A relevant product market comprises all those products and/or services which are regarded as interchangeable or substitutable by the consumer, by reason of the products' characteristics, their prices and their intended use."
Relevant geographic markets are defined as follows:
"The relevant geographic market comprises the area in which the undertakings concerned are involved in the supply and demand of products or services, in which the conditions of competition are sufficiently homogeneous and which can be distinguished from neighbouring areas because the conditions of competition are appreciably different in those areas".
3. Google's monopolie
De NMa hanteert voor het afbakenen van markten de volgende Europese definitie:
Definition of relevant product and relevant geographic market.
The regulations based on Articles 85 and 86 of the Treaty, in particular in section 6 of Form A/B with respect to Regulation 17, as well as in section 6 of Form CO with respect to regulation 4064/89 on the control of concentrations of a Community dimension have laid down the following definitions.
Relevant product markets are defined as follows:
"A relevant product market comprises all those products and/or services which are regarded as interchangeable or substitutable by the consumer, by reason of the products' characteristics, their prices and their intended use."
Relevant geographic markets are defined as follows:
"The relevant geographic market comprises the area in which the undertakings concerned are involved in the supply and demand of products or services, in which the conditions of competition are sufficiently homogeneous and which can be distinguished from neighbouring areas because the conditions of competition are appreciably different in those areas".
De algemene conclusie van het zeven maanden durende onderzoek is dat het inderdaad klopt dat populaire websites steeds populairder worden en minder populaire websites steeds minder populair worden. De betrokken wetenschappers concluderen dat de rol van zoekmachines in deze bevinding zorgelijk is. Om de reden dat als zoekmachines sites ‘ranken’ op basis van hun populariteit het voor minder populaire sites een heel stuk moeilijker is om populair te worden, ook al is de betreffende website van hoge kwaliteit. Aangezien het populariteitscriterium door veel grote zoekmachines wordt gebruikt, concluderen de onderzoekers van UCLA dat veel websites van hoge kwaliteit door internetgebruikers genegeerd worden omdat de sites simpelweg nog niet ontdekt zijn. Daarom stellen zij voor dat er een nieuwe manier van ranking wordt ontwikkeld die meer rekening houdt met de kwaliteit van een website.
Een onderzoek dat is gepubliceerd in november 2005 weerlegt het bovengenoemde, ook wel bekend als ‘rich-get-richer’ argument. Het onderzoek is uitgevoerd door School of Informatics van de Indiana University in de VS in samenwerking met de Universität van Bielefield in Duitsland. De onderzoekers stellen dat zoekmachines juist een egaliserend effect hebben op internetverkeer, waarmee wordt bedoeld dat het verkeer wordt uitgesmeerd over webpagina’s van hoge kwaliteit. Dus, zo luidt de conclusie van de Amerikaans-Duitse studie, het gebruik van zoekmachines resulteert in internet verkeer op meerdere niveaus, waarin nieuwe websites een grotere kans hebben om ontdekt te worden en voorts ook meer kans krijgen dat andere websites naar hen linken én dat leidt uiteindelijk tot meer populariteit. Voorwaarde is wel dat de websites overeenkomen met de interesses van gebruikers die zij kenbaar maken door het intypen van zoektermen.
Met andere woorden, het rich-get-richer argument wordt verzwakt door de bevinding dat algoritmen van zoekmachines en gebruikersgedrag niet lineair zijn en daardoor de populariteit van websites wordt gereguleerd.
3. Google's monopolie
De algemene conclusie van het zeven maanden durende onderzoek is dat het inderdaad klopt dat populaire websites steeds populairder worden en minder populaire websites steeds minder populair worden. De betrokken wetenschappers concluderen dat de rol van zoekmachines in deze bevinding zorgelijk is. Om de reden dat als zoekmachines sites ‘ranken’ op basis van hun populariteit het voor minder populaire sites een heel stuk moeilijker is om populair te worden, ook al is de betreffende website van hoge kwaliteit. Aangezien het populariteitscriterium door veel grote zoekmachines wordt gebruikt, concluderen de onderzoekers van UCLA dat veel websites van hoge kwaliteit door internetgebruikers genegeerd worden omdat de sites simpelweg nog niet ontdekt zijn. Daarom stellen zij voor dat er een nieuwe manier van ranking wordt ontwikkeld die meer rekening houdt met de kwaliteit van een website.
Een onderzoek dat is gepubliceerd in november 2005 weerlegt het bovengenoemde, ook wel bekend als ‘rich-get-richer’ argument. Het onderzoek is uitgevoerd door School of Informatics van de Indiana University in de VS in samenwerking met de Universität van Bielefield in Duitsland. De onderzoekers stellen dat zoekmachines juist een egaliserend effect hebben op internetverkeer, waarmee wordt bedoeld dat het verkeer wordt uitgesmeerd over webpagina’s van hoge kwaliteit. Dus, zo luidt de conclusie van de Amerikaans-Duitse studie, het gebruik van zoekmachines resulteert in internet verkeer op meerdere niveaus, waarin nieuwe websites een grotere kans hebben om ontdekt te worden en voorts ook meer kans krijgen dat andere websites naar hen linken én dat leidt uiteindelijk tot meer populariteit. Voorwaarde is wel dat de websites overeenkomen met de interesses van gebruikers die zij kenbaar maken door het intypen van zoektermen.
Met andere woorden, het rich-get-richer argument wordt verzwakt door de bevinding dat algoritmen van zoekmachines en gebruikersgedrag niet lineair zijn en daardoor de populariteit van websites wordt gereguleerd.
==Mediawet
Tegelijk met de invoering van de Mediawet, op 1 januari 1988, wordt het Commissariaat voor de Media opgericht: een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) met vergaande taken en bevoegdheden. Dit destijds nieuwe orgaan komt tussen politiek en omroepen te staan. Hoewel het Commissariaat onafhankelijk van het ministerie van OCW zijn besluiten neemt, is het verantwoording schuldig aan de minister. Het Commissariaat ziet toe op de naleving van de Mediawet en de daarop gebaseerde regels.
De Mediawet beschrijft in de eerste plaats de wet- en regelgeving voor de publieke omroepen (radio en televisie). Daarnaast beschrijft de wet ook de beperkingen op crossownership die mediaconcerns zijn opgelegd. Die beperkingen betreffen bijvoorbeeld uitgevers die meer dan 25% van de dagbladenbranche in handen hebben, die mogen niet meer dan een derde deel van een omroep of commerciële zender bezitten.
==Kerntaken
Voor de tweede kerntaak van het Commissariaat is de mediamonitor in het leven geroepen. De mediamonitor houdt het Nederlandse medialandschap in de gaten en bericht over ontwikkelingen op het terrein van pluriformiteit en kwaliteit in informatievoorziening. Op basis van de onderzoeken doet het commissariaat ook aanbevelingen richting OCW.
==Mediamonitor en Internet
Het is voorstelbaar dat nu Internet een steeds belangrijker rol gaat spelen op de markt van nieuws- en informatievoorziening, het commissariaat daar ook aandacht aan besteedt. Het afgelopen jaar is dit ook gebeurd. Er is gekeken naar de door Nederlanders meest bezochte domeinen en naar de nieuwsbronnen van de meest bezochte nieuwssites. Google scoorde hoog bij de meest bezochte domeinen, maar er is niet apart naar de markt van zoekmachines gekeken. Bart Bijvank, persvoorlichter van het Commissariaa
3. Google's monopolie
==Mediawet
Tegelijk met de invoering van de Mediawet, op 1 januari 1988, wordt het Commissariaat voor de Media opgericht: een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) met vergaande taken en bevoegdheden. Dit destijds nieuwe orgaan komt tussen politiek en omroepen te staan. Hoewel het Commissariaat onafhankelijk van het ministerie van OCW zijn besluiten neemt, is het verantwoording schuldig aan de minister. Het Commissariaat ziet toe op de naleving van de Mediawet en de daarop gebaseerde regels.
De Mediawet beschrijft in de eerste plaats de wet- en regelgeving voor de publieke omroepen (radio en televisie). Daarnaast beschrijft de wet ook de beperkingen op crossownership die mediaconcerns zijn opgelegd. Die beperkingen betreffen bijvoorbeeld uitgevers die meer dan 25% van de dagbladenbranche in handen hebben, die mogen niet meer dan een derde deel van een omroep of commerciële zender bezitten.
==Kerntaken
Voor de tweede kerntaak van het Commissariaat is de mediamonitor in het leven geroepen. De mediamonitor houdt het Nederlandse medialandschap in de gaten en bericht over ontwikkelingen op het terrein van pluriformiteit en kwaliteit in informatievoorziening. Op basis van de onderzoeken doet het commissariaat ook aanbevelingen richting OCW.
==Mediamonitor en Internet
Het is voorstelbaar dat nu Internet een steeds belangrijker rol gaat spelen op de markt van nieuws- en informatievoorziening, het commissariaat daar ook aandacht aan besteedt. Het afgelopen jaar is dit ook gebeurd. Er is gekeken naar de door Nederlanders meest bezochte domeinen en naar de nieuwsbronnen van de meest bezochte nieuwssites. Google scoorde hoog bij de meest bezochte domeinen, maar er is niet apart naar de markt van zoekmachines gekeken. Bart Bijvank, persvoorlichter van het Commissariaat vindt het wel een onderwerp dat nadere aandacht verdient. “Het probleem is een beetje dat door Internet ook tot aandachtsgebied voor het commissariaat te rekenen, het takenpakket dusdanig groeit dat we daar nu onvoldoende mankracht voor hebben. We werken op het commissariaat met twee onderzoekers, en dat is het.”
Edmund Lauf, één van de twee onderzoekers, vindt persoonlijk dat zoekmachines wel serieuze aandacht verdienen: “Als iets niet in Google te vinden is, dan bestaat het niet. De impact van zoekmachines op de informatiebeleving van mensen is enorm. In Frankrijk en Duitsland wordt dit al veel langer serieus gemonitord. Het is niet mijn plaats om hierover aanbevelingen te doen, want ik ben slechts onderzoeker, maar het lijkt me zeker iets om serieus te nemen.”
Tot nu toe heeft het Commissariaat geen beleidsaanbevelingen gedaan op het terrein van zoekmachines.
Niet alleen vanuit Europa ontstaat het idee van een alternatief voor Google en andere grote zoekmachines als Yahoo en MSN. Japan heeft ook aangekondigd onderzoek te willen doen naar de mogelijkheden voor een Japanse zoekmachine. Terwijl er gezegd wordt dat het initiatief bedoeld is om de strijd aan te gaan met Amerikaanse giganten als Google en Yahoo, zegt de Japanse overheid louter een unieke Japanse zoekmachine te willen creëren. Het project, dat tot stand moet komen uit samenwerking tussen Japanse bedrijven (waaronder Fujitsu en NEC) en universiteiten (waaronder de universiteit van Tokio) zou in totaal maar liefst 750 miljoen euro mogen kosten. De regering is bereid tientallen miljoenen euro’s te investeren.
4. Alternatieven
Niet alleen vanuit Europa ontstaat het idee van een alternatief voor Google en andere grote zoekmachines als Yahoo en MSN. Japan heeft ook aangekondigd onderzoek te willen doen naar de mogelijkheden voor een Japanse zoekmachine. Terwijl er gezegd wordt dat het initiatief bedoeld is om de strijd aan te gaan met Amerikaanse giganten als Google en Yahoo, zegt de Japanse overheid louter een unieke Japanse zoekmachine te willen creëren. Het project, dat tot stand moet komen uit samenwerking tussen Japanse bedrijven (waaronder Fujitsu en NEC) en universiteiten (waaronder de universiteit van Tokio) zou in totaal maar liefst 750 miljoen euro mogen kosten. De regering is bereid tientallen miljoenen euro’s te investeren.
“The other priority is the digital revolution. It is radically changing the communications, image and knowledge industries as well as global trading. We have caught up on the equipment front. We now have to get ahead: be among the first for mobile television and the switchover to digital television; enable our telecommunications industry to launch equipment programmes for very high-speed devices; launch with our European partners the first genuinely multimedia search engine, Quaero, to take up the global challenge issued by Google and Yahoo”.
4. Alternatieven
“The other priority is the digital revolution. It is radically changing the communications, image and knowledge industries as well as global trading. We have caught up on the equipment front. We now have to get ahead: be among the first for mobile television and the switchover to digital television; enable our telecommunications industry to launch equipment programmes for very high-speed devices; launch with our European partners the first genuinely multimedia search engine, Quaero, to take up the global challenge issued by Google and Yahoo”.
Voor het onderzoek volgt u de link rechts van de tekst.
4. Alternatieven
Voor het onderzoek volgt u de link rechts van de tekst.
In reactie op Lee’s overstap spande Microsoft een rechtzaak aan tegen Google op grond van een bindend contract dat voorschrijft dat werknemers binnen een jaar niet bij concurrenten aan de slag mogen. Ook beschuldigde Microsoft Lee ervan ‘inside-information’ te hebben gebruikt om bij Google aangenomen te worden. Na een langdurende rechtsgang zijn de drie partijen tot een compromis gekomen, waarover inhoudelijk niets bekend wordt gemaakt.
Naast Lee ruilde ook Mark Lucovsky, “goeroe van microsoft.net” Microsoft in voor Google. Het schijnt dat Microsoft’s topman Steve Ballmer tierend met een stoel begon te gooien toe hij hoorde dat Lucovsky zijn bedrijf zou verlaten.
Lucovsky’s verklaring over het moment dat hij met Ballmer over zijn vertrek sprak:
“Prior to joining Google, I set up a meeting on or about November 11, 2004 with Microsoft's CEO Steve Ballmer to discuss my planned departure... At some point in the conversation Mr. Ballmer said: “Just tell me it's not Google”. I told him it was Google.
At that point, Mr. Ballmer picked up a chair and threw it across the room hitting a table in his office. Mr. Ballmer then said: “Fucking Eric Schmidt is a fucking pussy. I’m going to fucking bury that guy, I have done it before, and I will do it again. I’m going to fucking kill Google. (....)
Thereafter, Mr. Ballmer resumed trying to persuade me to stay... Among other things, Mr. Ballmer told me that “Google's not a real company. It’s a house of cards.”
4. Alternatieven
In reactie op Lee’s overstap spande Microsoft een rechtzaak aan tegen Google op grond van een bindend contract dat voorschrijft dat werknemers binnen een jaar niet bij concurrenten aan de slag mogen. Ook beschuldigde Microsoft Lee ervan ‘inside-information’ te hebben gebruikt om bij Google aangenomen te worden. Na een langdurende rechtsgang zijn de drie partijen tot een compromis gekomen, waarover inhoudelijk niets bekend wordt gemaakt.
Naast Lee ruilde ook Mark Lucovsky, “goeroe van microsoft.net” Microsoft in voor Google. Het schijnt dat Microsoft’s topman Steve Ballmer tierend met een stoel begon te gooien toe hij hoorde dat Lucovsky zijn bedrijf zou verlaten.
Lucovsky’s verklaring over het moment dat hij met Ballmer over zijn vertrek sprak:
“Prior to joining Google, I set up a meeting on or about November 11, 2004 with Microsoft's CEO Steve Ballmer to discuss my planned departure... At some point in the conversation Mr. Ballmer said: “Just tell me it's not Google”. I told him it was Google.
At that point, Mr. Ballmer picked up a chair and threw it across the room hitting a table in his office. Mr. Ballmer then said: “Fucking Eric Schmidt is a fucking pussy. I’m going to fucking bury that guy, I have done it before, and I will do it again. I’m going to fucking kill Google. (....)
Thereafter, Mr. Ballmer resumed trying to persuade me to stay... Among other things, Mr. Ballmer told me that “Google's not a real company. It’s a house of cards.”
Op een van de searchenginewatch.com blogs staat het volgende tabelletje over de geschatte omvang van zoekmachinedatabases:
Zoekmachine/ Opgegeven omvang/ Opgeslagen informatie per pagina
Google/ 8.1 miljard/ 101K
MSN/ 5.0 miljard/ 150K
Yahoo/ 4.2 miljard (geschat)/ 500K
Ask Jeeves/ 2.5 miljard/ 101K+
Bron: Blog Searchengine watch
Het aantal opgeslagen pagina's zegt eigenlijk weinig over de kwaliteit van de zoekmachine. Het gaat er namelijk ook om hoe actueel de database is. Aan dode links heeft niemand wat. Bovendien wordt er naast het aantal geïndexeerde pagina's nog een tweede parameter gehanteerd in deze tabel, namelijk de hoeveelheid opgeslagen informatie per pagina. Google slaat slechts 101k per geïndexeerde webpagina op. Yahoo slaat al veel meer informatie op.
Mensen die op zoek zijn naar zeldzame informatie doen er goed aan gebruik te maken van een zoekmachine die veel heel veel pagina's geïndexeerd heeft, of een zoekmachine te gebruiken die de databases van verschillende zoekmachines naast elkaar raadpleegt. Een redelijk overzicht van de grootste zoekmachines internationaal en binnen Nederland vindt u via de links rechts van de tekst (ict en onderwijs, zoekprof).
4. Alternatieven
Op een van de searchenginewatch.com blogs staat het volgende tabelletje over de geschatte omvang van zoekmachinedatabases:
Zoekmachine/ Opgegeven omvang/ Opgeslagen informatie per pagina
Google/ 8.1 miljard/ 101K
MSN/ 5.0 miljard/ 150K
Yahoo/ 4.2 miljard (geschat)/ 500K
Ask Jeeves/ 2.5 miljard/ 101K+
Bron: Blog Searchengine watch
Het aantal opgeslagen pagina's zegt eigenlijk weinig over de kwaliteit van de zoekmachine. Het gaat er namelijk ook om hoe actueel de database is. Aan dode links heeft niemand wat. Bovendien wordt er naast het aantal geïndexeerde pagina's nog een tweede parameter gehanteerd in deze tabel, namelijk de hoeveelheid opgeslagen informatie per pagina. Google slaat slechts 101k per geïndexeerde webpagina op. Yahoo slaat al veel meer informatie op.
Mensen die op zoek zijn naar zeldzame informatie doen er goed aan gebruik te maken van een zoekmachine die veel heel veel pagina's geïndexeerd heeft, of een zoekmachine te gebruiken die de databases van verschillende zoekmachines naast elkaar raadpleegt. Een redelijk overzicht van de grootste zoekmachines internationaal en binnen Nederland vindt u via de links rechts van de tekst (ict en onderwijs, zoekprof).
Daarbij zijn er sites waarop veel informatie over een onderwerp te vinden is, maar die eigenlijk een reclameboodschap bevatten. Zo kan de Gamma een site hebben waar veel informatie over het tegelen van badkamers te vinden is. Uiteraard zullen de benodigde materialen voor de klus allemaal bij de Gamma vandaan komen. Een dergelijke site zal hoog bij de zoekresultaten terecht komen voor mensen die willen weten hoe ze het best hun badkamer kunnen tegelen, maar zal misschien niet de gevraagde neutrale informatie bevatten waarnaar de gebruiker eigenlijk op zoek was.
Een tweede aspect dat Rogers aankaart is dat informatie een markt is. Dat wil zeggen dat informatiebronnen met elkaar concurreren. Informatie wordt normaal als apolitiek beschouwd, maar als bronnen met elkaar concurreren om de leverancier van specifieke content te zijn, kan van neutraliteit geen sprake meer zijn. Bovendien passen zoekmachines zich aan nationale wetgeving (en bijbehorende censuur) aan.
Het derde element dat volgens Rogers de volgorde van zoekresultaten beïnvloed is de wijze waarop algoritmes zijn ingericht. De crawler kan bijvoorbeeld kijken naar de inhoud, de bezoekersaantallen en het aantal links van en naar een pagina. Degene die het algoritme schrijft, bepaalt welke aspecten belangrijker zijn bij de weging van de verzamelde informatie. Daardoor zit er een menselijke voorkeur in het algoritme besloten.
Als laatste noemt Rogers de invloed van het gedrag van zoekmachinegebruikers. Bij een zoekopdracht geeft de zoekmachine aan hoeveel zoekresultaten er uit de database terugkomen. Bij brede zoekopdrachten loopt dat aantal tot in de miljoenen. Uiteindelijk zijn slechts duizend van die resultaten voor de gebruiker toegankelijk. De gemiddelde gebruiker kijkt niet verder dan de eerste twintig zoekresultaten. Al die andere resultaten worden dus als niet relevant beschouwd. Dat lijkt op zich geen probleem omdat de gebruiker kennelijk in die eerste twintig resultaten vindt wat hij zoekt. Het probleem is echter wel dat het bezoek aan die
5. Politiek van zoekmachines
Daarbij zijn er sites waarop veel informatie over een onderwerp te vinden is, maar die eigenlijk een reclameboodschap bevatten. Zo kan de Gamma een site hebben waar veel informatie over het tegelen van badkamers te vinden is. Uiteraard zullen de benodigde materialen voor de klus allemaal bij de Gamma vandaan komen. Een dergelijke site zal hoog bij de zoekresultaten terecht komen voor mensen die willen weten hoe ze het best hun badkamer kunnen tegelen, maar zal misschien niet de gevraagde neutrale informatie bevatten waarnaar de gebruiker eigenlijk op zoek was.
Een tweede aspect dat Rogers aankaart is dat informatie een markt is. Dat wil zeggen dat informatiebronnen met elkaar concurreren. Informatie wordt normaal als apolitiek beschouwd, maar als bronnen met elkaar concurreren om de leverancier van specifieke content te zijn, kan van neutraliteit geen sprake meer zijn. Bovendien passen zoekmachines zich aan nationale wetgeving (en bijbehorende censuur) aan.
Het derde element dat volgens Rogers de volgorde van zoekresultaten beïnvloed is de wijze waarop algoritmes zijn ingericht. De crawler kan bijvoorbeeld kijken naar de inhoud, de bezoekersaantallen en het aantal links van en naar een pagina. Degene die het algoritme schrijft, bepaalt welke aspecten belangrijker zijn bij de weging van de verzamelde informatie. Daardoor zit er een menselijke voorkeur in het algoritme besloten.
Als laatste noemt Rogers de invloed van het gedrag van zoekmachinegebruikers. Bij een zoekopdracht geeft de zoekmachine aan hoeveel zoekresultaten er uit de database terugkomen. Bij brede zoekopdrachten loopt dat aantal tot in de miljoenen. Uiteindelijk zijn slechts duizend van die resultaten voor de gebruiker toegankelijk. De gemiddelde gebruiker kijkt niet verder dan de eerste twintig zoekresultaten. Al die andere resultaten worden dus als niet relevant beschouwd. Dat lijkt op zich geen probleem omdat de gebruiker kennelijk in die eerste twintig resultaten vindt wat hij zoekt. Het probleem is echter wel dat het bezoek aan die eerste twintig pagina's, de populariteit van die sites eens te meer bevestigt. Hierdoor blijven die pagina's vaak lange tijd hoog scoren, terwijl de relevantie van die pagina's ten opzichte van de lager geplaatste sites dat niet altijd rechtvaardigt. Het is een vicieuze cirkel die lastig te doorbreken is.
Bert Bakker vergelijkt zoekmachines met kranten: "Net als met kranten moet je als lezer meerdere bronnen raadplegen om een duidelijk beeld te krijgen van de zaken die in die media besproken worden. Hetzelfde geldt voor zoekmachines. Je krijgt andere resultaten terug als je bijvoorbeeld msn-search of zoeken.nl gebruikt." Het Kamerlid gelooft niet dat Nederlanders allemaal even mediabewust zijn. Het onderwijs zou hier speciale aandacht aan moeten besteden binnen het kader van media-educatie.
Bakker schat het marktaandeel van Google op 40%, maar geeft aan dat dit ook wel veel groter zou kunnen zijn. De 91% die het werkelijk is, verbaast hem dan ook niet. Hij ziet niet direct een gevaar in deze dominantie van Google op de zoekmachinemarkt: "In principe heb ik best vertrouwen in Google. Aan de andere kant: als heel Nederland ineens alleen nog maar de Telegraaf leest, dan is dat wel een zorgelijke situatie. Datzelfde geldt voor ieder nieuws- en informatiemedium dat gebruikt wordt. Toch maak ik me in dit geval nog niet veel zorgen. Het overgrote deel van de zoekopdrachten dat door mensen wordt ingevoerd is tamelijk onbelangrijk. Het gaat om hotels, of de routebeschrijving naar een bepaalde plaats. Maar als bijvoorbeeld studenten zich bij het zoeken naar informatie voor een onderzoek alleen nog maar beroepen op een zoekmachine, dan is dat wel een zorgelijke situatie."
Bakker ziet niets in overheidsingrijpen of reguleren van zoekmachines: "Dat is zinloos en ongewenst. Als bepaalde soorten informatie beter ontsloten moeten worden, dan zal de overheid daar zorg voor moeten dragen. Niet door zoekmachines aan banden te leggen, maar door de informatie zelf op een heldere en toegankelijke manier te ontsluiten. Dat is bijvoorbeeld gedaan op terrein van ziektekostenverzekeringen." Zoekmachines zijn vrije machten volgens Bakker. Net als het Internet een vrij terrein is, waarop iedereen kan zoeken of publiceren wat hij wil. Illegale content daargelaten.
Dat de dagbladenbranche wel gereguleerd wordt, heeft volgens Bakker t
5. Politiek van zoekmachines
Bert Bakker vergelijkt zoekmachines met kranten: "Net als met kranten moet je als lezer meerdere bronnen raadplegen om een duidelijk beeld te krijgen van de zaken die in die media besproken worden. Hetzelfde geldt voor zoekmachines. Je krijgt andere resultaten terug als je bijvoorbeeld msn-search of zoeken.nl gebruikt." Het Kamerlid gelooft niet dat Nederlanders allemaal even mediabewust zijn. Het onderwijs zou hier speciale aandacht aan moeten besteden binnen het kader van media-educatie.
Bakker schat het marktaandeel van Google op 40%, maar geeft aan dat dit ook wel veel groter zou kunnen zijn. De 91% die het werkelijk is, verbaast hem dan ook niet. Hij ziet niet direct een gevaar in deze dominantie van Google op de zoekmachinemarkt: "In principe heb ik best vertrouwen in Google. Aan de andere kant: als heel Nederland ineens alleen nog maar de Telegraaf leest, dan is dat wel een zorgelijke situatie. Datzelfde geldt voor ieder nieuws- en informatiemedium dat gebruikt wordt. Toch maak ik me in dit geval nog niet veel zorgen. Het overgrote deel van de zoekopdrachten dat door mensen wordt ingevoerd is tamelijk onbelangrijk. Het gaat om hotels, of de routebeschrijving naar een bepaalde plaats. Maar als bijvoorbeeld studenten zich bij het zoeken naar informatie voor een onderzoek alleen nog maar beroepen op een zoekmachine, dan is dat wel een zorgelijke situatie."
Bakker ziet niets in overheidsingrijpen of reguleren van zoekmachines: "Dat is zinloos en ongewenst. Als bepaalde soorten informatie beter ontsloten moeten worden, dan zal de overheid daar zorg voor moeten dragen. Niet door zoekmachines aan banden te leggen, maar door de informatie zelf op een heldere en toegankelijke manier te ontsluiten. Dat is bijvoorbeeld gedaan op terrein van ziektekostenverzekeringen." Zoekmachines zijn vrije machten volgens Bakker. Net als het Internet een vrij terrein is, waarop iedereen kan zoeken of publiceren wat hij wil. Illegale content daargelaten.
Dat de dagbladenbranche wel gereguleerd wordt, heeft volgens Bakker twee redenen. De eerste is dat een monopoliepositie om economische redenen onwenselijk is. De investering om een dagblad te introduceren op de markt is gigantisch en dat maakt de drempel voor nieuwkomers hoog. Dat geldt voor het Internet niet. Iedereen met een goed idee kan met een minimale investering de zoekmachinemarkt binnenkomen. De tweede reden om de dagbladenbranche te reguleren is om de pluriformiteit van nieuws- en informatiebronnen te garanderen. Op Internet is er keuze genoeg. Dat mensen allemaal kiezen voor Google, is kennelijk omdat de machine een goede service biedt. Het Kamerlid denkt dat het publiek bij een beter alternatief zo weer zal overstappen. Bakker: "Je ziet op Internet een voortdurende concentratie, maar ook een constante stroom van nieuwe initiatieven." Bovendien is het vanuit Nederland reguleren van de zoekmachinemarkt totaal zinloos, omdat Nederland maar zo'n klein deel van die wereldwijde markt bestrijkt.
Bakker kent het Frans-Duitse initiatief Quearo en vindt het prima. Maar hij ziet geen reden overheidsmiddelen in te zetten in een markt die zodra er een behoefte is, daarin onmiddellijk voorziet. Bakker: "Van de Fransen verbaast het me niet dat zij met een dergelijk project bezig zijn. Die reageren al allergisch als ze Mickey Mouse voorbij zien komen. Maar dat ook de Duisters hieraan meedoen, vind ik wel verassend. Kennelijk leeft er een grote behoefte om alles maar te reguleren. Ik vind dat je die behoefte zeker wat Internet betreft, een beetje moet bedwingen."
De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) ziet hierop toe, maar ook de Europese Commissie is in de positie om in te grijpen als Google, net als Microsoft, zijn positie misbruikt.. Maar volgens Van Dam doet Google op dit moment niets verkeerds. "Google doet het juist heel goed", vindt Van Dam. Bovendien heeft de zoekmachine een naam hoog te houden doordat heel veel mensen enorm veel vertrouwen in de zoekmachine hebben.
De angst van Frankrijk en Duitsland dat lokale cultuur door Google verloren zou gaan is volgens Van Dam ongegrond. "De landenversies van Google, zoals Google.nl, zijn een katalysator voor lokale initiatieven". Zodoende ziet Van Dam niets in een project als Quaero, zeker niet door de overheidsgelden die daarmee gemoeid zijn. "Alleen als de vrije toegang tot informatie bedreigd wordt door Google's monopoliepositie, dan moet er ingegrepen worden volgens Van Dam. Mocht dit nodig zijn dan prefereert hij een Europese aanpak, mits dit niet te lang duurt. Over wanneer het tijd om in te grijpen is, is Van Dam niet duidelijk. Want wat als Google's marktaandeel nog hoger wordt dan honderd procent? "Een marktaandeel rond de honderd procent is inderdaad wel een beetje veel", zegt Van Dam. Maar als er een absoluut monopolie ontstaat, zullen er volgens Van Dam snel genoeg klachten komen waarna de NMa of Europese Commissie actie kunnen ondernemen.
5. Politiek van zoekmachines
De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) ziet hierop toe, maar ook de Europese Commissie is in de positie om in te grijpen als Google, net als Microsoft, zijn positie misbruikt.. Maar volgens Van Dam doet Google op dit moment niets verkeerds. "Google doet het juist heel goed", vindt Van Dam. Bovendien heeft de zoekmachine een naam hoog te houden doordat heel veel mensen enorm veel vertrouwen in de zoekmachine hebben.
De angst van Frankrijk en Duitsland dat lokale cultuur door Google verloren zou gaan is volgens Van Dam ongegrond. "De landenversies van Google, zoals Google.nl, zijn een katalysator voor lokale initiatieven". Zodoende ziet Van Dam niets in een project als Quaero, zeker niet door de overheidsgelden die daarmee gemoeid zijn. "Alleen als de vrije toegang tot informatie bedreigd wordt door Google's monopoliepositie, dan moet er ingegrepen worden volgens Van Dam. Mocht dit nodig zijn dan prefereert hij een Europese aanpak, mits dit niet te lang duurt. Over wanneer het tijd om in te grijpen is, is Van Dam niet duidelijk. Want wat als Google's marktaandeel nog hoger wordt dan honderd procent? "Een marktaandeel rond de honderd procent is inderdaad wel een beetje veel", zegt Van Dam. Maar als er een absoluut monopolie ontstaat, zullen er volgens Van Dam snel genoeg klachten komen waarna de NMa of Europese Commissie actie kunnen ondernemen.
Los van oplossingen aan de kant van de gebruiker, is het redelijk onmogelijk om zoekmachines op de een of andere manier te reguleren vanuit overheidswege. Zodoende is het project Quaero, waarmee Vergeer overigens niet bekend is, volgens haar geen ideale oplossing voor betere zoekresultaten. "Wie gaat immers bepalen welke resultaten gevonden kunnen worden, ik ben tegen elke vorm van censuur van bovenaf", aldus Vergeer. Daarmee wil ze overigens niet zeggen dat een Europees project per definitie verkeerd is, want meer aandacht voor het terugdringen van subjectiviteit en het promoten van wetenschappelijke resultaten ziet zij als positieve doelstellingen.
Vergeer's collega Arda Gerkens specialiseert zich meer in ICT en zoekmachines. "Een half jaar geleden maakte ik me nog niet zo druk over het marktaandeel van Google, maar sinds de zogenaamde 'vergooglisering' begin ik me toch ernstige zorgen over de invloed van deze alomvattende zoekmachine te maken", zo zegt Gerkens. Zij is vooral bezorgd om wat Google, als enorm commercieel bedrijf, met privé gegevens doet, zeker omdat daar volgens haar op geen enkele manier op wordt toegezien. "Zoekmachines zijn niet juridisch ingekaderd". Maar een zoekmachine in de handen van de overheid lijkt haar niettemin ook geen goed alternatief. "Het is eng dat zoekmachines over persoonlijke gegevens beschikken, maar het is ook niet wenselijk dat de overheid ze heeft want het is dan maar een kleine stap voordat justitie over die gegevens beschikt".
Met het Quaero project is ook Gerkens niet bekend. De overheidsinvesteringen van Frankrijk en Duitsland zijn in Gerkens optiek onwenselijk. Overheden, met name op Europees niveau, zouden volgens haar wel subsidies, maar geen directe geldstromen moeten verstrekken. Wel zou vanuit het Nederlandse kabinet een hoop meer aandacht voor de effecten van digitalisering moeten komen, dit ontbreekt al jaren volgens Gerkens.
5. Politiek van zoekmachines
Los van oplossingen aan de kant van de gebruiker, is het redelijk onmogelijk om zoekmachines op de een of andere manier te reguleren vanuit overheidswege. Zodoende is het project Quaero, waarmee Vergeer overigens niet bekend is, volgens haar geen ideale oplossing voor betere zoekresultaten. "Wie gaat immers bepalen welke resultaten gevonden kunnen worden, ik ben tegen elke vorm van censuur van bovenaf", aldus Vergeer. Daarmee wil ze overigens niet zeggen dat een Europees project per definitie verkeerd is, want meer aandacht voor het terugdringen van subjectiviteit en het promoten van wetenschappelijke resultaten ziet zij als positieve doelstellingen.
Vergeer's collega Arda Gerkens specialiseert zich meer in ICT en zoekmachines. "Een half jaar geleden maakte ik me nog niet zo druk over het marktaandeel van Google, maar sinds de zogenaamde 'vergooglisering' begin ik me toch ernstige zorgen over de invloed van deze alomvattende zoekmachine te maken", zo zegt Gerkens. Zij is vooral bezorgd om wat Google, als enorm commercieel bedrijf, met privé gegevens doet, zeker omdat daar volgens haar op geen enkele manier op wordt toegezien. "Zoekmachines zijn niet juridisch ingekaderd". Maar een zoekmachine in de handen van de overheid lijkt haar niettemin ook geen goed alternatief. "Het is eng dat zoekmachines over persoonlijke gegevens beschikken, maar het is ook niet wenselijk dat de overheid ze heeft want het is dan maar een kleine stap voordat justitie over die gegevens beschikt".
Met het Quaero project is ook Gerkens niet bekend. De overheidsinvesteringen van Frankrijk en Duitsland zijn in Gerkens optiek onwenselijk. Overheden, met name op Europees niveau, zouden volgens haar wel subsidies, maar geen directe geldstromen moeten verstrekken. Wel zou vanuit het Nederlandse kabinet een hoop meer aandacht voor de effecten van digitalisering moeten komen, dit ontbreekt al jaren volgens Gerkens.
Het marktaandeel van Google schat Hessels op 80%. Dat het in werkelijkheid nog groter is, baart het Kamerlid geen zorgen: "Zolang iedereen nog vrij is om te kiezen welke zoekmachine hij wil gebruiken is er volgens mij geen probleem. Een natuurlijk monopolie, daar is niets op tegen, want mensen maken hun keuze op basis van kwaliteit." Dat de pluriformiteit van het aanbod van zoekmachines op het web daarmee in het geding komt, is ook geen probleem. Hessels: "Dat wordt anders als de marktpositie van Google vergroot wordt door fusies of overnames. Als Google bijvoorbeeld Yahoo zou overnemen." Maar of Nederland daar wat aan zou kunnen doen, dat denkt Hessels niet: "Ingrijpen op Internet is sowieso moeilijk. Als zo'n overname zich voordoet, dan is dat eerder een Amerikaanse aangelegenheid. Europa zou dan kunnen aandringen op maatregelen, maar heeft geen middelen om te kunnen ingrijpen."
In principe ziet Hessels vooralsnog geen aanleiding voor overheidsingrijpen. Wel lijkt het hem een goede zaak als instellingen als het Commissariaat voor de Media ook op Internet de pluriformiteit van door Nederlanders geraadpleegde informatiebronnen monitoren. En daar horen zoekmachines volgens hem wel bij.
Van Quearo heeft Hessels nog niet gehoord. Hij ziet zo snel geen aanleiding voor Nederland om zich bij een dergelijk initiatief aan te sluiten: "Ik vind via Google meestal wel de informatie waarnaar ik op zoek ben. De sites waar ik de gewenste informatie vind, zijn in de meeste gevallen niet Engelstalig. Dat niet-Engelstalige cultuur tussen de rankingregels van internationale zoekmachines verdwijnt, lijkt mij een beetje een gezocht probleem."
5. Politiek van zoekmachines
Het marktaandeel van Google schat Hessels op 80%. Dat het in werkelijkheid nog groter is, baart het Kamerlid geen zorgen: "Zolang iedereen nog vrij is om te kiezen welke zoekmachine hij wil gebruiken is er volgens mij geen probleem. Een natuurlijk monopolie, daar is niets op tegen, want mensen maken hun keuze op basis van kwaliteit." Dat de pluriformiteit van het aanbod van zoekmachines op het web daarmee in het geding komt, is ook geen probleem. Hessels: "Dat wordt anders als de marktpositie van Google vergroot wordt door fusies of overnames. Als Google bijvoorbeeld Yahoo zou overnemen." Maar of Nederland daar wat aan zou kunnen doen, dat denkt Hessels niet: "Ingrijpen op Internet is sowieso moeilijk. Als zo'n overname zich voordoet, dan is dat eerder een Amerikaanse aangelegenheid. Europa zou dan kunnen aandringen op maatregelen, maar heeft geen middelen om te kunnen ingrijpen."
In principe ziet Hessels vooralsnog geen aanleiding voor overheidsingrijpen. Wel lijkt het hem een goede zaak als instellingen als het Commissariaat voor de Media ook op Internet de pluriformiteit van door Nederlanders geraadpleegde informatiebronnen monitoren. En daar horen zoekmachines volgens hem wel bij.
Van Quearo heeft Hessels nog niet gehoord. Hij ziet zo snel geen aanleiding voor Nederland om zich bij een dergelijk initiatief aan te sluiten: "Ik vind via Google meestal wel de informatie waarnaar ik op zoek ben. De sites waar ik de gewenste informatie vind, zijn in de meeste gevallen niet Engelstalig. Dat niet-Engelstalige cultuur tussen de rankingregels van internationale zoekmachines verdwijnt, lijkt mij een beetje een gezocht probleem."
Een project als Quaero, met een contra-angelsaksisch motief, is volgens hem niet wenselijk. Tenzij de motivatie van een dergelijk initiatief wordt ingegeven door bewijs dat een zoekmachine misbruik maakt van zijn monopoliepositie, hoeft er aan de huidige verdeling van de zoekmachinemarkt weinig te gebeuren. Als misbruik is aangetoond, dan heeft naar Jungbluth's mening een Europese aanpak de voorkeur. "Het heeft niet zoveel zin als elk land afzonderlijk wetgeving omtrent zoekmachines initieert, dat kan dan beter op Europees niveau worden geregeld".
5. Politiek van zoekmachines
Een project als Quaero, met een contra-angelsaksisch motief, is volgens hem niet wenselijk. Tenzij de motivatie van een dergelijk initiatief wordt ingegeven door bewijs dat een zoekmachine misbruik maakt van zijn monopoliepositie, hoeft er aan de huidige verdeling van de zoekmachinemarkt weinig te gebeuren. Als misbruik is aangetoond, dan heeft naar Jungbluth's mening een Europese aanpak de voorkeur. "Het heeft niet zoveel zin als elk land afzonderlijk wetgeving omtrent zoekmachines initieert, dat kan dan beter op Europees niveau worden geregeld".
Dat het marktaandeel van Google binnen Nederland momenteel 91% is, verbaast het Kamerlid niet. Ze vindt het ook niet direct een gevaarlijke situatie. Kraneveldt: "Het is natuurlijk wel prettig als er wat te kiezen is. Maar bij mijn weten wordt niemand gedwongen om Google te gebruiken. Het is wel zorgwekkend als mensen zich straks alleen nog maar verlaten op een Amerikaanse zoekmachine. Een beetje variatie is wel noodzakelijk. Je ziet dat jongeren steeds meer de oude media inruilen voor nieuws- en informatiebronnen op het Internet." Ze vindt dan ook dat het Commissariaat voor de Media goed in de gaten moet houden of jongeren wel voldoende bronnen naast elkaar raadplegen: "Als de pluriformiteit van die bronnen in het gedrang komt, dan moet het Commissariaat aan de bel trekken."
Toch vindt het Kamerlid dat de overheid terughoudend moet zijn bij het reguleren van zaken op Internet: "Het is ook wel een beetje de charme van Internet dat het niet overgereguleerd is. Uiteraard moeten criminele zaken wel aangepakt worden. Bovendien doet wat Nederland van de praktijken op Internet vindt vrijwel niet ter zake. Als er al een overheid aan de bel moet trekken, dan is dat Europa."
Kraneveldt vindt sowieso dat de Europese lidstaten meer moeten samenwerken om een sterkere positie op Internet te winnen: "Nu komt alles uit Amerika. Het zou goed zijn als ook Europa met eigen producten komt." Van Quearo heeft Kraneveldt wel gehoord. Ze vindt het een goed initiatief, maar vraagt zich wel af of het goed is om hier publieke middelen aan te besteden: "Als je publieke middelen beschikbaar stelt aan een initiatief dat later commerciële activiteiten gaat ondernemen, dan moet je altijd goed nadenken over de maatstaven die gehanteerd worden. Want je wil de markt natuurlijk niet verstoren." Het Kamerlid ziet liever dat het bedrijfleven gestimuleerd wordt om producten te ontwikkelen.
5. Politiek van zoekmachines
Dat het marktaandeel van Google binnen Nederland momenteel 91% is, verbaast het Kamerlid niet. Ze vindt het ook niet direct een gevaarlijke situatie. Kraneveldt: "Het is natuurlijk wel prettig als er wat te kiezen is. Maar bij mijn weten wordt niemand gedwongen om Google te gebruiken. Het is wel zorgwekkend als mensen zich straks alleen nog maar verlaten op een Amerikaanse zoekmachine. Een beetje variatie is wel noodzakelijk. Je ziet dat jongeren steeds meer de oude media inruilen voor nieuws- en informatiebronnen op het Internet." Ze vindt dan ook dat het Commissariaat voor de Media goed in de gaten moet houden of jongeren wel voldoende bronnen naast elkaar raadplegen: "Als de pluriformiteit van die bronnen in het gedrang komt, dan moet het Commissariaat aan de bel trekken."
Toch vindt het Kamerlid dat de overheid terughoudend moet zijn bij het reguleren van zaken op Internet: "Het is ook wel een beetje de charme van Internet dat het niet overgereguleerd is. Uiteraard moeten criminele zaken wel aangepakt worden. Bovendien doet wat Nederland van de praktijken op Internet vindt vrijwel niet ter zake. Als er al een overheid aan de bel moet trekken, dan is dat Europa."
Kraneveldt vindt sowieso dat de Europese lidstaten meer moeten samenwerken om een sterkere positie op Internet te winnen: "Nu komt alles uit Amerika. Het zou goed zijn als ook Europa met eigen producten komt." Van Quearo heeft Kraneveldt wel gehoord. Ze vindt het een goed initiatief, maar vraagt zich wel af of het goed is om hier publieke middelen aan te besteden: "Als je publieke middelen beschikbaar stelt aan een initiatief dat later commerciële activiteiten gaat ondernemen, dan moet je altijd goed nadenken over de maatstaven die gehanteerd worden. Want je wil de markt natuurlijk niet verstoren." Het Kamerlid ziet liever dat het bedrijfleven gestimuleerd wordt om producten te ontwikkelen.
Mastenbroek ziet in de geslotenheid van Google het grootste gevaar: "Tot nu toe is er geen aanleiding om Google ergens op te pakken. En ik vind ook niet dat we in actie moeten komen voordat zich een probleem heeft voorgedaan. Dat gebeurt op Europees niveau al veel te veel. We investeren al te veel tijd en geld in oplossingen voor problemen die zich eigenlijk niet hebben voorgedaan. Maar de reden dat we een probleem vermoeden bij Google komt ten dele door de geslotenheid waarmee het bedrijf te werk gaat. Ik maak me dan ook sterk om meer transparantie af te dwingen. Dan pas kunnen we beoordelen of er werkelijk van een gevaar sprake is."
Tot die tijd vindt Mastenbroek dat overheden vooral moeten investeren in voorlichting en educatie: "Internetgebruikers moeten weten waar ze mee bezig zijn als ze het Internet opgaan. Ze moeten een beetje een idee hebben over de werking van veelgebruikte applicaties en van de risico's die ze lopen als ze die gebruiken." Een groot probleem ziet Mastenbroek in de onwetendheid van lokale overheden: "Politici en beleidsmakers zijn te weinig doordrongen van de realiteit van het Internet. Dat komt door een gebrek aan begrip van de technologie. Ze reageren vooral uit door angst ingegeven ideeën. Als een criminele organisatie zich op Internet organiseert, komen ze gelijk met een mammoetwet dat al het dataverkeer maar bewaard moet worden. Zo ver gaan ze zelfs in Amerika niet. Je privacy loopt momenteel meer gevaar bij de overheid dan bij bedrijven als Google."
Mastenbroek vindt Quearo op zich een prima initiatief: "Maar ik ben niet echt voor het wegzetten van overheidsgeld bij dit soort initiatieven. Google is ook niet groot geworden door overheidsgeld. In principe is de behoefte bij Internetgebruikers groot genoeg om commercieel diensten en applicaties voor te ontwikkelen. Wat mij betreft investeren we dat geld beter in het veiliger maken van het Internet. Als je je computer nu zonder bescherming aansluit op het Internet dan heb je binnen vijf minuten een virus. Dat is pas echt een pr
5. Politiek van zoekmachines
Mastenbroek ziet in de geslotenheid van Google het grootste gevaar: "Tot nu toe is er geen aanleiding om Google ergens op te pakken. En ik vind ook niet dat we in actie moeten komen voordat zich een probleem heeft voorgedaan. Dat gebeurt op Europees niveau al veel te veel. We investeren al te veel tijd en geld in oplossingen voor problemen die zich eigenlijk niet hebben voorgedaan. Maar de reden dat we een probleem vermoeden bij Google komt ten dele door de geslotenheid waarmee het bedrijf te werk gaat. Ik maak me dan ook sterk om meer transparantie af te dwingen. Dan pas kunnen we beoordelen of er werkelijk van een gevaar sprake is."
Tot die tijd vindt Mastenbroek dat overheden vooral moeten investeren in voorlichting en educatie: "Internetgebruikers moeten weten waar ze mee bezig zijn als ze het Internet opgaan. Ze moeten een beetje een idee hebben over de werking van veelgebruikte applicaties en van de risico's die ze lopen als ze die gebruiken." Een groot probleem ziet Mastenbroek in de onwetendheid van lokale overheden: "Politici en beleidsmakers zijn te weinig doordrongen van de realiteit van het Internet. Dat komt door een gebrek aan begrip van de technologie. Ze reageren vooral uit door angst ingegeven ideeën. Als een criminele organisatie zich op Internet organiseert, komen ze gelijk met een mammoetwet dat al het dataverkeer maar bewaard moet worden. Zo ver gaan ze zelfs in Amerika niet. Je privacy loopt momenteel meer gevaar bij de overheid dan bij bedrijven als Google."
Mastenbroek vindt Quearo op zich een prima initiatief: "Maar ik ben niet echt voor het wegzetten van overheidsgeld bij dit soort initiatieven. Google is ook niet groot geworden door overheidsgeld. In principe is de behoefte bij Internetgebruikers groot genoeg om commercieel diensten en applicaties voor te ontwikkelen. Wat mij betreft investeren we dat geld beter in het veiliger maken van het Internet. Als je je computer nu zonder bescherming aansluit op het Internet dan heb je binnen vijf minuten een virus. Dat is pas echt een probleem waar we wat aan moeten doen."
Slob schat het marktaandeel van Google in Nederland hoog. "Als ik naar mijn eigen zoekmachinegebruik kijk moet ik bekennen dat ik steeds minder andere zoekmachines naast Google gebruik. Eigenlijk gebruik ik Google altijd." Dat Google 91% van de markt in handen heeft binnen Nederland, verontrust het Kamerlid wel: "Het zou niet goed zijn als Google de absolute dominantie in handen zou krijgen. Een beetje tegenwicht moet er wel zijn. Zeker nu steeds meer jongeren zich vrijwel uitsluitend verlaten op wat zij via zoekmachines kunnen vinden. Als Google werkelijk de enige bron zou worden, dan vind ik dat wel een gevaarlijke situatie. Mensen moeten zich beseffen dat objectiviteit niet bestaat en dat het altijd goed is meerdere bronnen naast elkaar de raadplegen."
Als een dergelijk monopolie zou ontstaan, dan stelt Slob voor dat de overheid door middel van communicatie en educatie mensen bewust moet maken van het belang meerdere bronnen naast elkaar te raadplegen. Verder stelt het Kamerlid voor dat vanuit de overheid Nederlandse zoekmachines gestimuleerd moeten worden. Maar veel meer kan de overheid niet doen, schat Slob in. "Je ziet dat het ook al lastig is om de pluriformiteit in de 'oude media' te waarborgen. We kunnen alleen ingrijpen als organisaties door fusies of overnames een groter aandeel dan 35% in handen krijgen. Maar over internationale organisaties als Google hebben wij natuurlijk niets te zeggen."
Van Quearo heeft Slob nog nooit gehoord. Het lijkt hem wel een prima initiatief: "Het geeft aan dat de betrokken overheden zich verantwoordelijk voelen voor wat er op Internet gebeurt. Ik vind dat een goede zaak. In Nederland is het nog te veel een stilzwijgend proces. Ik kan me ook niet herinneren dat dit ooit eerder in de Tweede Kamer aan de orde is gekomen. Het lijkt me goed dat dit debat maatschappijbreed gevoerd wordt."
5. Politiek van zoekmachines
Slob schat het marktaandeel van Google in Nederland hoog. "Als ik naar mijn eigen zoekmachinegebruik kijk moet ik bekennen dat ik steeds minder andere zoekmachines naast Google gebruik. Eigenlijk gebruik ik Google altijd." Dat Google 91% van de markt in handen heeft binnen Nederland, verontrust het Kamerlid wel: "Het zou niet goed zijn als Google de absolute dominantie in handen zou krijgen. Een beetje tegenwicht moet er wel zijn. Zeker nu steeds meer jongeren zich vrijwel uitsluitend verlaten op wat zij via zoekmachines kunnen vinden. Als Google werkelijk de enige bron zou worden, dan vind ik dat wel een gevaarlijke situatie. Mensen moeten zich beseffen dat objectiviteit niet bestaat en dat het altijd goed is meerdere bronnen naast elkaar de raadplegen."
Als een dergelijk monopolie zou ontstaan, dan stelt Slob voor dat de overheid door middel van communicatie en educatie mensen bewust moet maken van het belang meerdere bronnen naast elkaar te raadplegen. Verder stelt het Kamerlid voor dat vanuit de overheid Nederlandse zoekmachines gestimuleerd moeten worden. Maar veel meer kan de overheid niet doen, schat Slob in. "Je ziet dat het ook al lastig is om de pluriformiteit in de 'oude media' te waarborgen. We kunnen alleen ingrijpen als organisaties door fusies of overnames een groter aandeel dan 35% in handen krijgen. Maar over internationale organisaties als Google hebben wij natuurlijk niets te zeggen."
Van Quearo heeft Slob nog nooit gehoord. Het lijkt hem wel een prima initiatief: "Het geeft aan dat de betrokken overheden zich verantwoordelijk voelen voor wat er op Internet gebeurt. Ik vind dat een goede zaak. In Nederland is het nog te veel een stilzwijgend proces. Ik kan me ook niet herinneren dat dit ooit eerder in de Tweede Kamer aan de orde is gekomen. Het lijkt me goed dat dit debat maatschappijbreed gevoerd wordt."
De overheid hoeft geen initiatief te nemen om iets aan de marktpositie van Google te doen, dat is naar Szabó mening gewoon een kwestie van marktwerking, waarbij Google het nou eenmaal goed doet. Om hier als overheid wat aan te doen is niet alleen onwenselijk, maar ook onmogelijk. "Het speelveld is al vergeven en de spelers staan al op het veld", aldus de VVD-er. Alleen op scholen vindt hij dat extra aandacht aan zoekmachines besteed moet worden, maar dat blijft louter beperkt tot het stimuleren van het gebruik van kennisnet.nl en dat wordt volgens Szabó ook al voldoende gedaan. Het project Quaero is uit den boze. "Ik wist hier nog niets vanaf, maar een dergelijk project zie ik absoluut niet zitten. Het feit dat de Franse en Duitse overheid sámen met commerciële bedrijven een zoekmachine ontwikkelen leidt tot concurrentievervalsing". En de bewering dat de Europese cultuur verloren gaat is volgens Szabó ook onzin, immers we hebben al goede lokale zoekmachines. Van zijn collega's in het Europees Parlement heeft hij nog niets over een dergelijk initiatief vernomen. "Maar als ze daarmee komen, zal ik absoluut zeggen dat we tegen het initiatief in moeten gaan en dat Nederland niet moet participeren", aldus Szabó.
5. Politiek van zoekmachines
De overheid hoeft geen initiatief te nemen om iets aan de marktpositie van Google te doen, dat is naar Szabó mening gewoon een kwestie van marktwerking, waarbij Google het nou eenmaal goed doet. Om hier als overheid wat aan te doen is niet alleen onwenselijk, maar ook onmogelijk. "Het speelveld is al vergeven en de spelers staan al op het veld", aldus de VVD-er. Alleen op scholen vindt hij dat extra aandacht aan zoekmachines besteed moet worden, maar dat blijft louter beperkt tot het stimuleren van het gebruik van kennisnet.nl en dat wordt volgens Szabó ook al voldoende gedaan. Het project Quaero is uit den boze. "Ik wist hier nog niets vanaf, maar een dergelijk project zie ik absoluut niet zitten. Het feit dat de Franse en Duitse overheid sámen met commerciële bedrijven een zoekmachine ontwikkelen leidt tot concurrentievervalsing". En de bewering dat de Europese cultuur verloren gaat is volgens Szabó ook onzin, immers we hebben al goede lokale zoekmachines. Van zijn collega's in het Europees Parlement heeft hij nog niets over een dergelijk initiatief vernomen. "Maar als ze daarmee komen, zal ik absoluut zeggen dat we tegen het initiatief in moeten gaan en dat Nederland niet moet participeren", aldus Szabó.
Het gevaar van internationale zoekmachines voor culturele diversiteit is volgens van der Vlies wel aanwezig. Maar dat heeft twee kanten. Enerzijds kunnen zoekmachines gebruikt worden om diversiteit mee op te zoeken, anderzijds kan bij onkritisch gebruik van het Internet een eenheidsworstcultuur ontstaan. Van der Vlies: "Daar zijn we uiteindelijk zelf bij. Ik betwijfel of de gemiddelde Nederlander die kritische houding wel weet op te brengen. Maar dat ligt aan de morele standaard die mensen zelf hanteren en op zich niet aan de techniek van zoekmachines."
Van der Vlies heeft geen weet van het exacte marktaandeel van Google, maar weet wel dat dit aandeel groot is. "Het is een goede zaak dat Google geen absoluut monopolie heeft. Een monopolie is nog nooit vruchtbaar geweest. Mensen kunnen nu nog kiezen en dat moet zo blijven." De geëigende organisatie die hierop moet toezien is de NMa volgens van der Vlies. Hij vertrouwt erop dat er voordat Google de volle 100% van de markt in handen heeft er wel een klacht zal zijn binnengekomen bij de NMa.
Verdere regulering vanuit de overheid is iets waar van der Vlies niet per se voor is: "We kunnen de media niet van alles dicteren. Er zijn natuurlijk zaken die verboden zijn, zoals kinderporno. Je ziet dat dat al behoorlijk wat inspanningen kost om die informatie van het web te weren. En met een mondiaal opererende organisatie wordt het natuurlijk al helemaal lastig om daar regels aan op te leggen. Het is ook wel een beetje een andere uitgangspositie dan bijvoorbeeld de dagbladenmarkt. Daar was een zeer uitgebreid en pluriform aanbod en dat verschraalt nu dat het aantal spelers op de markt steeds kleiner wordt. Dat de overheid daar regels voor opstelt is logisch. Het betreft immers de Nederlandse situatie. Google is gewoon een slimme speler geweest die een goede zoekmachine heeft geïntroduceerd en daardoor een groot marktaandeel heeft verworven." Als de markt van zoekmachines al gereguleerd zou moeten worden, dan vindt van der Vlies dat eerder een taak voor de Europese Uni
5. Politiek van zoekmachines
Het gevaar van internationale zoekmachines voor culturele diversiteit is volgens van der Vlies wel aanwezig. Maar dat heeft twee kanten. Enerzijds kunnen zoekmachines gebruikt worden om diversiteit mee op te zoeken, anderzijds kan bij onkritisch gebruik van het Internet een eenheidsworstcultuur ontstaan. Van der Vlies: "Daar zijn we uiteindelijk zelf bij. Ik betwijfel of de gemiddelde Nederlander die kritische houding wel weet op te brengen. Maar dat ligt aan de morele standaard die mensen zelf hanteren en op zich niet aan de techniek van zoekmachines."
Van der Vlies heeft geen weet van het exacte marktaandeel van Google, maar weet wel dat dit aandeel groot is. "Het is een goede zaak dat Google geen absoluut monopolie heeft. Een monopolie is nog nooit vruchtbaar geweest. Mensen kunnen nu nog kiezen en dat moet zo blijven." De geëigende organisatie die hierop moet toezien is de NMa volgens van der Vlies. Hij vertrouwt erop dat er voordat Google de volle 100% van de markt in handen heeft er wel een klacht zal zijn binnengekomen bij de NMa.
Verdere regulering vanuit de overheid is iets waar van der Vlies niet per se voor is: "We kunnen de media niet van alles dicteren. Er zijn natuurlijk zaken die verboden zijn, zoals kinderporno. Je ziet dat dat al behoorlijk wat inspanningen kost om die informatie van het web te weren. En met een mondiaal opererende organisatie wordt het natuurlijk al helemaal lastig om daar regels aan op te leggen. Het is ook wel een beetje een andere uitgangspositie dan bijvoorbeeld de dagbladenmarkt. Daar was een zeer uitgebreid en pluriform aanbod en dat verschraalt nu dat het aantal spelers op de markt steeds kleiner wordt. Dat de overheid daar regels voor opstelt is logisch. Het betreft immers de Nederlandse situatie. Google is gewoon een slimme speler geweest die een goede zoekmachine heeft geïntroduceerd en daardoor een groot marktaandeel heeft verworven." Als de markt van zoekmachines al gereguleerd zou moeten worden, dan vindt van der Vlies dat eerder een taak voor de Europese Unie, dan voor de Nederlandse overheid.
Van het Frans-Duitse intiatief Quearo (interne link naar hoofdstuk alternatieven) heeft van der Vlies niet gehoord.