peetvader van de nederlandse strip

michael minneboo ,

Martin Lodewijk heeft een duidelijk stempel gedrukt op de Nederlandse strip. De 73-jarige stripmaker en zijn creatie Agent 327 zijn nog springlevend. Binnenkort verschijnt het langverwachte nieuwe avontuur.

Martin Lodewijk

In 1987 was Martin Lodewijk in New York en bezocht hij samen met een vriend stripmaker Milton Caniff, beroemd van Terry and the Pirates. ‘Ik had zijn telefoonnummer van iemand gekregen en belde hem op. Daar ben ik wel brutaal in,’ zegt Lodewijk lachend. ‘Caniff zei: “Ik moet eigenlijk werken zaterdag, maar kom maar langs joh.” Dus wij naar zijn studio. Een oud, gebogen mannetje van 82 deed open. Zijn broekrand kwam tot vlak onder zijn oksels. Ik schrok van zijn leeftijd, ik kende alleen oude foto’s van hem. Toen hij echter aan zijn tekentafel ging zitten was het net alsof er dertig jaar van hem afviel. Ongelooflijk! Die man zat gewoon te genieten.  
Lodewijk (Rotterdam, 1939) is net 74 geworden en praat nog vol geestdrift over strips, zijn werk en de beeldverhalen van anderen. De muren van zijn appartement in Rotterdam-Zuid worden opgesierd met origineel werk van onder andere Don Lawrence, Hergé, Dick Matena, Harold Foster, Robert Crumb en Marc Sleen. Stripmakers die hij bewondert of met wie hij heeft samengewerkt.
In zijn lange carrière heeft Lodewijk een duidelijk stempel gedrukt op de Nederlandse stripcultuur. Hij verrijkte het beeldverhaal met de sciencefictionstrip Storm, die geschilderd werd door Engelsman Don Lawrence, de avonturen van Agent 327, de detectivereeks Johnny Goodbye en de creatie van vliegenier January Jones die Eric Heuvel tekent. Toen de stripbladen Sjors en Pep in 1975 samengingen in Eppo, vormden Frits van der Heijden en Lodewijk de kern van de redactie. Jarenlang ontwikkelde hij nieuwe strips voor dat blad en begeleidde hij veel jonge stripmakers. ‘Dat was een fantastische tijd! Wij wilden strips entameren en konden zelf de tekenaars daarvoor uitkiezen. Ik zat dagenlang in Brussel met tekenaars te praten. Zo heb ik onder andere André Franquin goed leren kennen.’

Slapend getekend
Al in 1978 nam Lodewijk de Stripschapprijs voor zijn gehele oeuvre in ontvangst. Bij zijn zeventigste verjaardag riep de toenmalige redactie van Eppo hem uit tot de nieuwe peetvader van de Nederlandse strip, een titel die na de Tweede Wereldoorlog aan Marten Toonder was toebedeeld. ‘Ik ben een beetje een bemoeial, laat ik het zo zeggen. Ik vind het leuk om dingen te entameren, heb me met veel mensen bemoeid en geef mijn mening graag,’ zegt Lodewijk. ‘Ach, als je dat peetvader wil noemen.’
Tussen het strips maken door trad hij als gitarist op in de band Chickenfeed. Ondanks zijn grote passie voor muziek is Lodewijk toch vooral een tekenaar geworden. ‘Ik wilde altijd strips maken, boeken schrijven – gepubliceerd worden leek me het mooiste wat er was. Als tienjarige stuurde ik al materiaal op naar Tom Poes Weekblad. In 1957 ben ik met mijn tekeningen langsgegaan bij handelsuitgeverij ATH in Rotterdam die ook strips uitgaf. Ik heb zo’n twee jaar voor ze getekend. In het begin vooral cartoons, ondeugend bedoelde mopjes voor De Mascotte en Bolero: blaadjes met pin-ups die toentertijd seksblaadjes genoemd werden. De directeur van de handelsdrukkerij was meneer Teeuwen, een Bul Super-achtige figuur. Een man met ideeën en visie: de dag na lancering van de Spoetnik stond hij bij mijn ouders voor de deur, ik woonde toen nog thuis. Hij nam me mee naar een duur restaurant in Zuid en vroeg of ik iets van ruimtevaart wist. Natuurlijk wist ik dat: ik las al jaren sciencefiction. Dus mocht ik strips over ruimtevaart maken, gevolgd door piratenstrips over Arent Brandt die later Captain Kidd werd genoemd. Iedere maand schreef en tekende ik een boekje van 32 pagina’s. Daar heb ik een hoop van geleerd. Meestal zat ik tegen de deadline een paar nachten door te werken; van één boekje heb ik letterlijk een stukje slapend getekend. Ik was boven mijn tekening in slaap gevallen, maar had wel doorgetekend. Geen idee hoe, maar toen ik weer wakker werd zag ik dat figuurtje en dat heb ik er in laten staan, want dat vond ik toch wel bijzonder.’ Lodewijk staat op, haalt een doos vol met dat vroege werk uit zijn werkkamer en toont de bovengenoemde pagina met daarin een bijna abstracte menselijke vorm in een verder semi-realistisch getekende strip. ‘Ik heb jaren moeten zoeken op stripbeurzen om mijn eigen werk weer terug te kopen.’

Hendrik IJzerbroot
Na het werk voor de handelsmaatschappij tekende Lodewijk in 1959 in opdracht van Het Parool de strip Frank, de Vliegende Hollander voor Scandinavische kranten. Daarna werkte hij vijf jaar voor reclamebureaus als ontwerper/illustrator. Zijn hele carrière heeft hij het stripmaken afgewisseld met reclamewerk. Lodewijk maakte van alles: verpakkingen voor Volendammer Shag en stroopwafels, reclameadvertenties voor wasmachines en folders voor kolen van De Coöperatie. Het uiteenlopende werk was een goed alternatief voor de kunstacademie waar de tekenaar al na een paar weken zijn gezicht niet meer liet zien.
In 1966 begon Lodewijk voor zichzelf en werkte hij aan een tafeltje in de studio van Jan Kruis (van Jan, Jans en de Kinderen). Via Kruis kreeg Lodewijk van stripblad Pep de opdracht een parodie op James Bond te maken. ‘Ik bedacht Agent 327, ook wel bekend als Hendrik IJzerbroot, de wat hulpeloze, doch sympathieke geheim agent van de Nederlandse geheime dienst. Na het eerste verhaal van vier pagina’s wilde Pep de maand erna er nog een hebben. Bijna vijftig jaar later maak ik ze nog.’ Na een twintigtal korte verhalen begon Lodewijk de fantasierijke, humoristische avonturen van IJzerbroot op albumlengte te maken. Tegenwoordig worden die albums – opnieuw gescand, geletterd en ingekleurd – uitgegeven door uitgeverij L.

Boordevol feiten
Recent verscheen het eerste lange verhaal Dossier Stemkwadrater, evenals een speciaal interviewalbum De vrouwen van Agent 327, over de strip- en filmvrouwen die Lodewijk inspireerden. ‘Overigens heb ik nooit heel veel rechtstreeks uit de Bond-films gehaald. Eigenlijk vooral dat Agent zo nu en dan een apparaatje, een gadget krijgt. Ook heb ik M gebruikt,’ zegt de stripmaker. Wel haalde Lodewijk veel inspiratie uit de actualiteit en verwerkt hij dingen die hij interessant vindt. Zijn strips zitten boordevol historische feiten: ‘Ik word daar wel om bekritiseerd en niet altijd ten onrechte moet ik zeggen, want ik ga daar soms te ver in. Maar bijna alles interesseert me. Over vrijwel alles heb ik boeken staan en tegenwoordig heb ik externe harddisks vol met materiaal. Ik heb er lol in om dat in mijn verhalen te verwerken.’
Politici, mediapersoonlijkheden, stripfiguren, vrienden en familie duiken geregeld in de avonturen van 327 op. Lodewijks vrouw Ted speelt de rol van motormeisje in Dossier Nachtwacht en in het laatste verhaal De Daddy Vinci Code duikt Lodewijk zelf op als Agent 010, heel toepasselijk de archivaris van de geheime dienst. De scenario’s schrijft Lodewijk steevast per aflevering van een à twee pagina’s. Verder werkt hij eigenlijk niet vooruit, ook niet als hij voor anderen schrijft. ‘Dat doe ik denk ik om het voor mezelf ook spannend te houden. Soms kom ik daardoor wel in moeilijkheden. In het Agent 327-verhaal Dossier Zevenslaper was ik halverwege in de stress omdat ik niet meer wist wat ik moest doen. Dat heb ik toen ook in het album gezet: je ziet me dan piekeren aan de tekentafel. Toch, als ik vastloop, zit er op de een of andere manier altijd wel iets in het voorgaande dat ik heb geschreven waarmee ik het plotprobleem weet op te lossen.’

Even ingestort
De laatste tijd ging het wat minder met de stripmaker. Na jaren alleen reclamewerk gemaakt te hebben, hervatte Lodewijk in 2000 de avonturen van IJzerbroot als krantenstrip in het AD. Al snel werd de tekenaar geplaagd door artroseachtige klachten: ‘Ik maakte een halve pagina per dag en kreeg opeens een vreselijke pijn aan mijn handen en armen. Ik heb dat verhaal uiteindelijk kunnen afmaken op pijnstillers. Dat heeft me wel een klap gegeven, waardoor ik even ben ingestort. Ik was bang dat ik in de toekomst helemaal niet meer kon tekenen. Daarom ben ik toen scenario’s voor De Rode Ridder gaan schrijven. Gelukkig verdween het later vrijwel.’
Van het nieuwste Agent-verhaal De Daddy Vinci Code begon de voorpublicatie in het tweewekelijkse Eppo al in 2009 en die is nog steeds niet afgerond. Een lange tijd verschenen de afleveringen zeer onregelmatig. Lodewijk: ‘Die vertraging is ontstaan door gezondheidsproblemen in de familie. Eerst overleed mijn broer, daarna werd mijn vrouw ziek. Met haar is het nu gelukkig goed, maar daardoor ben je wel even met andere dingen bezig. Nu is het moeilijk om weer te beginnen.’ Toch gloort er hoop: het nieuwe album komt eind mei uit.
Op de vraag of al die jaren achter de tekentafel de moeite waard waren, geeft Lodewijk een antwoord dat zo uit de mond van Caniff had kunnen komen: ‘Nou, ik heb een hoop plezier gehad, dus ja. Ik vermaak me nog steeds en was van plan dat nog heel lang vol te houden. Ik wil zeker nog een stuk tien of twintig avonturen van Agent 327 maken!’