Van buitenkantje voet tot schaar

Het ultieme voetbal-als-kunst-overzicht. In de hoop dat de bijbehorende artiesten ook op het EK hun trukendoos opengooien, beschrijven liefhebbers en kenners hieronder hun favoriete voetbalmanoeuvre. En dat allemaal in een handig uitklapmenu, met bij voorbaat excuses voor de soms erbarmelijke muziek die door YouTube-gebruikers onder de prachtige beelden is gemonteerd.

Het buitenkantje

Op YouTube zwerft een filmpje van Willem van Hanegem, vier minuten de Kromme in actie tijdens het WK ’74. Het is nog niet vaak bekeken. Een vergissing. Oranje en ’74, dat is Cruijff, maar in de schaduw van de superster schittert ook Van Hanegem. Nummer 10 als secondant op het middenveld. Alles aan hem is krom: zijn rug, benen en vooral de ballen die van zijn voet vertrekken. Cruijff had buitenkantje rechts. Van Hanegem buitenkantje links. Een man uit één stuk, op het oog traag, maar een grootmeester in het versnellen van het spel. Biljarten op gras, is het. Achteloos getrapt, maar met de precisie van een landmeter ploffen de ballen achter de verdediging voor de voeten van Suurbier, Neeskens of wie dan ook, want iedereen van dat elftal was in beweging.

Ze zijn schaars, de mannen met steekpass, één met bal en ruimte. Pirlo was het, maar die is er niet meer bij. Blijven er drie stylisten over. De Duitser Özil, de Spanjaard Iniesta en de Kroaat Modric. In niets de gelijke van Van Hanegem – Modric heeft zelfs de trekken van Cruijff –, behalve dat wanneer zij aan de bal komen er een weldadige rust neerdaalt over het veld. Hun hersenen hebben na een razendsnelle geometrische berekening de voeten allang ingeseind waar de bal naar toe moet, maar lijken jou en de andere onwetenden ook nog even de kans te gunnen de oplossing te zien. Dan komt de pass, als een hakbijl die even stilhield boven het hoofd om daarna de verdediging te doorklieven. Wat volgt is bijzaak. Op dinsdag 21 juni is het Kroatië-Spanje. Modric vs. Iniesta. Een duel om naar te verlangen.

Steven van der Gaag

het hakje

Van alle bijvoeglijke naamwoorden die vooraf kunnen gaan aan ‘hakje’, is ‘geniaal’ veruit het meest gebruikte. Als tweede komt ‘subtiel’. Toch is genialiteit niet per se de eigenschap waar de meeste hakjes uit voortkomen. Natuurlijk zijn er de doordachte hakjes die, achter het standbeen langs, de bal meegeven aan een medespeler of de keeper op het verkeerde been zetten. Maar de meeste hakjes zijn noodgrepen, waarbij de bal eigenlijk al voorbij is en omdraaien te veel tijd kost. Kansen op een krachtig schot zijn verkeken, de voetballer moet overschakelen op zijn gevoel.

Elke topspits heeft weleens gescoord met de hak, omdat de goal nu eenmaal als een magneet op ze werkt. Maar nog mooier is het als een speler die verder niet zo vaak scoort toch een hakdoelpunt weet te maken. Zoals de Deense keeper Martin Hansen van ADO Den Haag in augustus 2015. In de blessuretijd kwam hij zijn doel uit bij een vrije trap. Vallend naar voren wist hij de bal nog net met de hak te raken. Die zeilde het doel in voor de gelijkmaker tegen psv. Geluk, natuurlijk, maar dat niet alleen. ‘Het was gewoon instinct. Het kon niet anders. De bal moest richting de goal,’ zei hij na afloop.

Martin Hansen gaat niet naar het EK, want bij Denemarken staat topkeeper Kasper Schmeichel in het doel. Maar zo’n goal maak je toch maar één keer in je leven. De mooiste hakbal van het toernooi verwachten we van de Ajacied Arek Milik. Met Robert Lewandowksi vormt hij een koningskoppel in de Poolse aanval. Met zo veel voetbalinstinct in de voorhoede hoef je geen genie te zijn om een prachtige hakgoal of -assist te voorzien.

Elja Looijestein

 

 

 

 

De intikker

Gerd Müller was een lelijke smurf op dikke poten die ons ooit het wereldkampioenschap ontnam. Zijn naamgenoot Thomas lijkt behept met hetzelfde intikkervirus, dat voor de lelijkste goals in het voetbal zorgt. Toch is er een groot verschil tussen Müller en Müller. Vertegenwoordigde ‘Der Bomber’ het oude Duitse voetbal met Kampfgeist en Laufpensum, Thomas is de nieuwe Totalfussballer. Een liefhebber die binnentikt, maar ook de schoonheid van het spel zoekt. Daar had Gerd – geen familie – nauwelijks last van. De oude Müller mag er dan uit hebben gezien als een dikke smurf, hij scoorde onwaarschijnlijke goals, met zijn mannelijkheid, met zijn knie, zijn eendenkont of via zijn borst.

En zie, de geschiedenis wil dat Thomas, die op elfjarige leeftijd bij Bayern kwam, daar kennis maakte met ‘der Gerd’. De oude Müller had van ex-collega’s Rummenigge en Hoeness een erebaantje bij FC Bayern gekregen; hij diende als assistent-trainer bij de amateurs. De facto liep Gerd vanaf zijn terugkeer in 1992 totdat bij hem vorig jaar Alzheimer werd geconstateerd elke dag op het trainingscomplex aan de Säbener Strasse. Daar ontmoette hij alles en iedereen, toppers als Roy Makaay en Arjen Robben, maar ook jonkies als Thomas Müller. Die keken op tegen de legende en luisterden naar zijn eenvoudige adviezen: ‘Wenn du kannst, machst du BUM.’

Müller en Müller vertegenwoordigen de deelstaat Bayern, het land van BMW en Siemens, en dat is geen toeval. Die laten net als de voetballers zien dat je met keihard werken vaak op de juiste plaats staat voor de intikker. Dat er tegenwoordig ook op schoonheid wordt gelet, geeft de jonge Müller (en alle Bayern) meer krediet dan de oude. Veel meer.

Marcel Rözer

Het lepeltje

Ik zat in de Amsterdam ArenA en deed een schietgebedje tijdens de halve finale van Euro 2000. De reguliere speeltijd zat er op, tijd voor penalty’s. Het zat Oranje niet mee tijdens de strafschoppenserie tegen de Italiaanse squadra azzurra. Frank de Boer had als eerste gemist en even later poeierde Jaap Stam de bal bijkans het stadion uit. En toen was het de beurt aan Francesco Totti, toen óók al de Koning, de Keizer én de Admiraal van AS Roma en tevens de ragazzo d’oro (goudhaantje) van de Italiaanse ploeg. De blonde god sjokte op de penaltystip af. Op het oog volkomen relaxed, wat je niet kon zeggen van Edwin van der Sar. Bal op de stip. Totti deed een paar passen achteruit. Schoof een lok haar opzij. Wat ging de Italiaan doen? Bal links of rechts van de keeper? Hoog mikken of over de grond? Francesco besloot het op z’n Totti’s te doen. Of op z’n Panenka’s, zoals u wilt.

Hij nam een soepele aanloop, liet Van der Sar eerst als een lappenpop naar de rechterhoek vallen en lepelde de bal losjes en elegant in het doel. Een lobje. Zeggen we in Nederland dan. Maar Italianen hebben het liever over een cucchiaio, om aan te geven dat de bal óver de doelman wordt ‘gelepeld’. De Italiaanse commentator werd gek: ‘Ongelooflijk. Wát een risico, maar hij scoort met een cucchiaio en neemt Van der Sar in de maling.’ Wij zaten erbij en keken ernaar. Naar de wonderschone cucchiaio van Totti, naar Van der Sar die opkrabbelde en weer naar Totti die nog het minst onder de indruk leek. Italianen zijn niet voor niets de uitvinders van sprezzatura, ofwel meesters in de kunst om iets ingewikkelds moeiteloos te laten lijken.

Renate Verhofstad

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De omhaal

Het lichaam valt naar achteren, het ene been gaat omhoog waarna het andere de bal achterwaarts richting doel maait. En de speler wel nog half op zijn zij dient te landen om rug- en hoofdletsel te voorkomen. De omhaal oogt spectaculair, maar de kans op gevaarlijk spel (een verdediger in het gezicht raken) en mislukking is aanzienlijk. Benodigd zijn een uitstekende techniek, gevoel voor timing, zelfvertrouwen en voetbalinstinct. Een mislukte omhaal is al snel lachwekkend. Er zijn ook niet veel spelmomenten waarin een omhaal mogelijk is, maar áls het lukt… een lust voor het oog.

De omhaal, ofwel Fallrückzieher, bicycle kick of bicicleta (vanwege de fietsbeweging) tendeert naar kunst. De moeilijkheidsgraad wordt mede bepaald door de manier waarop een speler de bal moet aannemen en ‘klaarleggen’ voor een omhaal. Op YouTube zijn natuurlijk talloze voorbeelden van doeltreffende omhalen te vinden, maar sommige springen er bovenuit. In 1977 maakte Schalke-speler en omhaalkoning Klaus Fischer in een interland tegen Zwitserland een beauty, verkozen tot doelpunt van het jaar. In 1982 herhaalde hij dit kunststukje, weer met een omhaal. Die van Marco van Basten uit 1986 tegen FC Den Bosch was fenomenaal. Geen vuurpijl, maar een boogbal precies in de kruising, vanuit een hoek van 45 graden ten opzichte van de goal, met dank aan de cameraopstelling… De mooiste is ongetwijfeld de 4-1 van Zlatan Ibrahimovic in de interland Zweden – Engeland. De uitgelopen keeper kopt de bal terug het veld in, gevaar geweken denk je, waarna Zlatan zonder om te kijken met de rug naar de goal in één vloeiende beweging zijn omhaal lanceert. Fifa Puskas Award voor het mooiste doelpunt van 2013.

Maarten van Bracht

het overstapje

De bal laten gaan lijkt simpel, maar het vereist naast spelzinzicht een mentale topconditie. Overstappers moeten ogen in de rug hebben en weten wat er gebeurt met de net niet geraakte bal. Balcontact is fataal voor de overstap. Het lijkt een handeling voor mindere voetballers, maar niets is minder waar. Een overstap, zeker bij een strakke pass, is een kwestie van atletisch topvermogen. Erop trainen is lastig omdat overstappen botst met alle voetbalwetten. Wel zou het vrolijke Monty Python-achtige taferelen opleveren. Op de Nederlandse velden is aanvaller Michiel Kramer van Feyenoord een frequente overstapper. Dat hangt samen met zijn voorkeurspositie bij de eerste paal, waar overstappen handig is. Bij de tweede paal is het zinloos, tenzij je verdediger bent.

De mooiste overstapjes vinden plaats rond de zestien ‘in de loop’. Zoals die van de Italiaan Andrea Pirlo op het wk 2014 tijdens de wedstrijd tegen Engeland. De commentator genoot. ‘Pirlo kan schieten… overstapje is handig. Marchisio, Marchisio, ja dat is raak. Maar wat handig is dat overstapje van Pirlo.’ Perfect uitgevoerd en begrepen door zijn scorende ploeggenoot. Wie overstapt laat zien dat hij een teamspeler is en ploeggenoten wat gunt. Overstappers zijn sociaal, vrijgevig en kijken verder. Grote ego’s stappen niet over. Scheidsrechters stappen alleen over in noodgevallen. Van Björn Kuipers zijn niet veel overstapjes te verwachten, al schijnt hij hem perfect te beheersen. Het is betreurenswaardig dat een overstap niet geldt als een assist. Daardoor zijn deze magistrale non-contact-actions niet in de statistieken terug te zien en krijgen overstappers zelden de waardering die ze verdienen.

Hugo Hoes

 

 

 

De schaar

Het is de koningin der schijnbewegingen, de schaar, elders in de wereld ook wel als step over aangeduid. Verwarrend omdat, zoals Ajax-coryfee en scharenmeester Tscheu La Ling ooit uitlegde, er zowel een ‘schaarbeweging’ als een ‘overstapje’ bestaat: ‘Het gaat erom dat je tijdens de schaarbeweging je versnelling plaatst; het afzetbeen waarmee je de schaar maakt is tevens je startbeen om die versnelling in te zetten.’ Een schaar zonder extra versnelling was geen schaar, zei La Ling laatdunkend, dat was een overstapje.

Roberto Rivellino was de uitvinder, zegt men in Brazilië, of anders Jaïr. Vast staat dat de eerste beschrijving van de schaarbeweging, in ieder geval in Europa, te vinden is in dagblad Het Vaderland, in oktober 1932, in een verslag van de wedstrijd België-Nederland waarin de Indisch-Nederlandse Law Adam – bijnaam Adam de Schaarman – zijn toverbeweging maakte. Cristiano Ronaldo is de nieuwe scharenkeizer, maar Ronaldo’s schaar ademt arrogantie, luidt de kritiek, is een streek van Narcissus, en leidt meestal nergens toe. Dat oordeel berust echter op een miskenning van het wezen van de schaar. Want de schaarbeweging is nu eenmaal ten diepste een uitdrukking van hubris; scharen ís kleineren (al kunnen ingrediënten verzachting brengen: de Braziliaanse schaar ademt tevens balverliefdheid, bij La Ling sijpelde ironie door). Zelfs zou kunnen worden volgehouden dat ook de zinloosheid tot haar wezen behoort, en dat het passeren daar afbreuk aan doet. Het stadion houdt de adem in. En dan, in plaats van een versnelling langs de tegenstander, speelt de aanvaller – alsof hij plotseling tot zichzelf komt – de bal zachtjes opzij naar een medespeler.

Een schaar is pas geslaagd als ze louter verstilling is. De mooiste schaar is de schaar die niets oplevert.

Hans van Wetering

tijdrekken

Het eindeloos talmen bij het ingooien – geen medespeler kunnen vinden, te ver van de aangegeven plek weglopen, bal uit de handen laten vallen bij het nemen van een vrije trap of doeltrap, het sjokken van de speler die wordt gewisseld, ploegmaats omarmend of verbouwereerd gebarend (Ik? Bedoel je echt dat ík eruit moet?) – het is allemaal standaardspul. Soms echter sijpelt bij het tijdrekken iets van brille door. De Uruguayaan Matias Alsonso kreeg ooit de ingeving om, nadat hij vanwege een gefingeerde krampaanval met veel moeite op het brancard was gehesen, zich van diezelfde brancard te werpen, waarna alles opnieuw begon. Mooier nog was de vondst van keeper Aly Khosef van al-Jazeera in de Verenigde Arabische Emiraten. Vlak voordat hij een uittrap nam maakte hij stiekem zijn veters los om vervolgens op het moment van schieten de scheidsrechter op zijn schoenen te wijzen, waarna een andere speler moest worden gezocht om de veters vast te maken, want dat kon Khosef natuurlijk niet met die keepershandschoenen van hem.

Uiteindelijk hebben alle voorgaande tactieken een groot nadeel: de scheidsrechter kent ‘extra tijd’ toe. Dat kan beter. Een speler sluipt naar de vijandelijke cornervlag en schermt de bal dusdanig af dat de tegenstander moet porren en poken om erbij te komen, en een tijdrovende vrije trap dreigt. In extremis wordt dit uitgevoerd door twee spelers, die net zo lang draaien, kappen en overtikken tot de onvermijdelijke schop volgt – vrije trap. Het brengt de tegenstander tot razernij, de scheidsrechter staat machteloos en het is, in tijd gemeten, verreweg het efficiëntst. Dit is de hoogste vorm van tijdrekken: balbezit.

Hans van Wetering

 

 

 

 

De 'bunzing'

De ‘stervende zwaan’ (duik naar voren, hoofd en armen achterwaarts ten hemel gestrekt) behoort tot het standaardrepertoire, evenals de ‘elleboog’ (ter aarde met de handen voor het gezicht), en zo zijn er nog wel wat. Voetbal zonder ‘schwalbe’ is als een woestijn zonder zand. Op de lijstjes van grootste duikelaars staan sterren als Cristiano Ronaldo, Luis Suarez en Arjen Robben bovenaan. Een crack die ook hoog scoort is Sergio Busquets Burgos, middenvelder van Barcelona. De stervende zwaan, de elleboog – Busquets beheerst ze als geen ander. Maar hij heeft ook een geheim wapen: de ‘sprong vanuit het niets’, ofwel de ‘bunzing’. Daadwerkelijk contact tussen Busquets en zijn tegenstander is hierbij niet aan de orde, nabijheid volstaat, liefst van een kluwen vijandelijke spelers. Busquets zoekt de scheidsrechter, en als hij ziet dat diens positie het toelaat veert hij vanuit het niets rechtstandig omhoog om vervolgens met zijn lichaam in de lucht een boog voorover te beschrijven, kermend neer te storten en zijwaarts weg te rollen. Het ziet er wonderlijk uit, en dat is de bedoeling.

Aandacht van de scheidsrechter is zo gegarandeerd; iemand die zo uitzinnig ‘valt’ heeft geen schopje gekregen maar is door excessief geweld getroffen. Alleen dat – hardnekkig de misvatting dat tussen oorzaak en gevolg per se een evenredige relatie bestaat – kan een dergelijke lancering verklaren. Busquets’ grootmeesterlijke schwalbe dankt zijn naam aan het moment van opspringen. Het ziet er nog het meest uit alsof de speler onraad ruikt, om zich heen kijkt, maar niet weet waar hij het gevaar moet zoeken, en dan, in die flits vlak voordat hij opspringt, plotseling het afschrikwekkende beest gewaar wordt dat zich aan zijn voeten heeft genesteld.

Hans van Wetering

 

 

 

de contra-arm

Geachte redactie,

Hier boven komen allerhande fijne ‘voetbalmanoeuvres’ ter sprake: de steekpass, het lobje, de schaar, de intikker, de schwalbe, het overstapje, de omhaal. Teleurstellend is echter dat het hier vrijwel allemaal bewegingen betreft die onlosmakelijk met veldspelers verbonden zijn; sterker nog, zelfs de scheidsrechter komt aan bod.

Wie ontbreekt? De doelverdediger natuurlijk. Terwijl toch minstens de ‘contra-arm’ als onderscheidende beweging in de catalogus had moeten worden opgenomen. Bij de redding met contra-arm wordt de bal, die op weg is naar de bovenhoek, door de keeper door middel van de arm die het verste weg is van die bovenhoek, miraculeus gepakt. De keeper beweegt bij zijn afzet voor de sprong deze contra-arm schuin vóór het eigen gezicht langs, draait zijn handpalm naar buiten en maakt in de lucht op weg naar de bovenhoek een halve schroef – die dynamiek van in elkaar overvloeiende bewegingen levert hem de extra snelheid op die nodig is om naar de kruising te vliegen en de bal, met die contra-arm, over de lat of naast te tikken.

De contra-arm is een van de sierlijkste bewegingen die een doelverdediger tot zijn beschikking heeft.

De manoeuvre heeft de mooiste reddingen opgeleverd. Schmeichel sr. was een meester. Maar ook Frans de Munck, keeper van het kampioenselftal van DOS in 1958, wist als geen ander de contra-arm in te zetten om het onmogelijke waar te maken.

De Munck, ‘de Harry Mulisch van het voetbal’ (AD) was tevens acteur en kuste ‘de Amerikaanse tietenkoningin’ (NRC Handelsblad) Jayne Mansfield. Bij zijn overlijden in 2010 schreef ik een gedicht, gepubliceerd in, veelzeggend genoeg, Vangst (2014). Ik bied het de VPRO aan, om de doelverdediger en een van diens mooiste manoeuvres in ere te herstellen.

Slow motion

O, zo aan de dans ontstegen stap uit zichzelf,
sprong in het zwart naar de kruising rechtsboven,
de torso die tolt rond de spil van zijn middel,
de arm die balans in het niets biedt rechtsonder,

 

 

de linker schuin boven het aangezicht langs,
spaakbeen om ellepijp, handpalm, de harde,
de bleekblauwe handpalm de baan toe gekeerd,
een ontketende klauw voor de prooi, voor de

 

 

 

 

stap uit zichzelf, voor de sprong in het zwart,
klaar voor de zweef, voor de stop die zijn val
inluidt, zijn vel zal doen sidderen, het veld
zal doen schudden, maar niet dan nadat

de stap uit zichzelf, de sprong in het zwart,
het roofdier, zijn kooi schoon, de tred vertraagd,
de haren gestroomlijnd, de mond die de mond
van de filmdiva zoekt, de kus die hem roept.

 

 

 

 

 

Doel voor altijd gesloten, het net opgeborgen,
doel dat voor altijd en nooit meer achter hem ligt,
nu voor nooit meer de stap uit zichzelf, sprong
in het zwart. De film. Gestopt. O, zo aan de dans
ontstegen.

 

Onno Kosters, oud-keeper
www.doelverdediger.nl