Professor

A.L. Snijders ,

Geen krant, geen televisie, geen radio, geen buren, geen idee over de wereld, zulke mensen zijn er, ze doen niemand kwaad, ik zie ze soms bij de supermarkt.

Zelf heb ik een krant, een radio en een televisie, maar vaak moet ik toch nog wakker geschud worden. Gisteren bijvoorbeeld zag ik een professor op de televisie die iets vertelde wat ik niet wist maar waar ik wel een vermoeden van had, hij raakte me aan terwijl ik kijkend sliep. Het was een Delftse afvalprofessor.
Ik woon op een plek met drie afvalcontainers en een afvalpas. In de grijze doe ik het algemene afval, in de groene het groene afval, in de oranje het plastic. Met de afvalpas (‘strikt persoonlijk’) breng ik smoezelige matrassen, gebroken stoelen en scheefgezakte keukenkastjes naar de stortplaats. Als ingezetene krijg ik een kleine korting.
Het afval speelt een rol in mijn leven, ik moet de dagen onthouden en ik ontleen er trots aan. (In Noord-Europa is het goed geregeld, in Zuid-Europa niet, daar ligt het soms jaren langs de openbare weg te rotten.)
Ik kijk naar een programma waaruit blijkt dat we er nog niet zijn, we moeten nog preciezer worden in het scheiden van de rommel, niemand ontkomt eraan. Door deze voortdurende aandacht heb ik een positie in de maatschappij, of ik het wil of niet.
Nu krijgt de professor uit Delft het woord. Hij vertelt dat de burger nauwelijks een rol speelt in het fijnmazige afvalproces. De interviewer vraagt wat nauwelijks betekent. Antwoord: acht procent. Dat betekent dat 92 procent door het bedrijfsleven wordt veroorzaakt en behandeld, terwijl het bedrijfsleven aan generlei scheiding doet, alles gaat op de grote hoop of in de vervuilende oven. De interviewer vraagt of de professor dan nog wel meedoet met het verfijnde scheiden van het huisafval. De man is natuurlijk niet zomaar iemand. Hij is een deskundige, een professor met een vakgebied, en dat vakgebied is toevallig afval. Daarom aarzelt hij wel met zijn antwoord, maar ten slotte kan hij er niet onderuit, hij doet niet mee.
Ik ben zo teleurgesteld dat ik er bij nader inzien toch over denk: geen krant, geen televisie, geen radio, geen buren, geen idee over de wereld.