Ommekeer

A.L. Snijders ,

Toen ik enige tijd geleden vernam dat een Nederlandse oorlogsfotograaf door een scherpschutter van is was doodgeschoten, raakte mijn jonge metgezel over zijn toeren.

Hij riep in grote opwinding: ‘Daar kan ik niet om huilen, hij heeft het geweten, het ging hem om het avontuur, hij hoeft daar niet heen, we weten wat daar gebeurt, deze gozers hebben het altijd over “het verhaal dat verteld moet worden,” maar dat hoeft helemaal niet, er zijn duizenden bronnen die allemaal openstaan, iedereen weet wat daar gebeurt, er zijn honderdduizend vluchtelingen die je gedetailleerd kunnen vertellen wat daar gebeurt, geef ze potlood en papier en ze tekenen de plattegrond van hun geboortehuis dat dankzij de Russen niet meer bestaat. Ik zeg het nog maar een keer, Nederlandse avonturiers kunnen rustig thuisblijven. Dan hoef jij ook niet te janken als hun kist in Eindhoven wordt afgeleverd.’

Ik zei: ‘Ik jank helemaal niet, ik heb medelijden met de man en zijn familie, hij had speelgoed voor zijn kinderen gekocht, hij stond op het punt naar huis terug te keren.’ Mijn metgezel beheerste zich niet: ‘Ook dat nog, vrouw en kinderen, stel je voor, en dan zo’n baantje. Ik wed dat hij wel eens zei dat geen enkel verhaal het waard is om voor te sterven. En dan toch weer gaan, en speelgoed kopen, hou toch op.’

Kort geleden verscheen er een aangeschoten journalist op de televisie. Hij leefde nog, maar benadrukte dat er in de veertien achterliggende dienstjaren nooit iets dergelijks gebeurd was. Hij werd vergezeld door een vakgenoot die hem gered had. 
Ze praatten over het met een groep oversteken van een straat die gecontroleerd werd door scherpschutters van de vijand. Er waren twee opvattingen, je moest als eerste oversteken, of juist niet. Beide theorieën werden gesteund door hun eigen voorbeelden. Het recente incident leek alweer op de achtergrond te raken, ze wilden terug naar hun verslaving. Ze waren doordrenkt met spanning, ze kenden de opwindende gezichten van de dood, ze wisten dat ze er in Almere, Vlissingen en Enschede naar zouden verlangen. Als ze blijven leven, zal er een moment komen dat ze voorgoed in het saaie vaderland zullen blijven, maar zelf heb ik er als buitenstaander geen flauw benul van wat er nodig is voor zo’n ommekeer.