zwakte

Arnon Grunberg ,

Ziekte associeer ik met zwakte en zwakte moet voorkomen worden. In theorie ben ik ruimdenkend en kan ik alles verdragen, maar in praktijk...

Ziekte associeer ik met zwakte en zwakte moet voorkomen worden. In theorie ben ik ruimdenkend en kan ik alles verdragen, maar in praktijk huiver ik voor ziekte en zwakheid, vooral als die te dichtbij komen. Waarmee ik bedoel dat ik huiver voor eigen zwakheid, hoewel ik ook andermans zwakte huiveringwekkend vind als ik daarmee van dichtbij geconfronteerd word.

Dat is allicht psychologisch te verklaren. Mijn moeder had geen of weinig mededogen als haar kinderen ziek waren, ze had de neiging verwijten te maken bij ziekte: ‘Waarom ben je ook zonder sjaal de deur uitgegaan, ik heb het je nog zo gezegd.’
En van het ziekbed van mijn vader herinner ik me dat ze steeds maar bleef herhalen: ‘Hoe kon je ons dit aandoen?’

Deze psychologische verklaring is me te makkelijk, te mooi ook. Alles past, en wanneer alles past, wordt de werkelijkheid onrecht aangedaan. Veel kan van die werkelijkheid worden gezegd, maar een opgeloste puzzel is die werkelijkheid nou net niet.
Voor mij begint zwakheid bij een verkoudheidje. Een van mijn missies is het om niet verkouden te worden. Niet dat ik allerlei homeopatische medicijnen slik of overdreven in de weer ga met vitamine C, ik bezweer de verkoudheid met wilskracht.

Wanneer dat niet lukt, ervaar ik het als een persoonlijke nederlaag. Een vorm van falen. Ziek zijn, ook al gaat het slechts om een verkoudheidje, is een vorm van schuldig zijn. De ziekte is het tastbare bewijs van de schuld, al is het maar de schuld niet genoeg voor jezelf te hebben gezorgd.
 
Artsen bezoek ik dan ook zelden, want ik ben principieel niet ziek. Meestal alleen als ik inentingen nodig heb voor reizen naar exotische gebieden.
Men zou in dit alles angst voor de dood kunnen zien – een angst die je in bijna alles kunt zien – maar ook die verklaring lijkt me te simpel.
Ik zou het zo zeggen: werk is de rechtvaardiging van mijn bestaan. Als ik ziek ben, kan ik niet of minder werken en vervalt die rechtvaardiging.

Ik vrees niet zozeer de dood als wel het punt dat ik nog besta zonder dat bestaan verder te kunnen rechtvaardigen.