Tortelduifjes

Arnon Grunberg ,

dinsdag 20 januari 2015

Een jongeman die veel weg had van een magere Willem-Alexander stond voor mij in de rij om aan boord te gaan van een vliegtuig dat ons die zondagavond van Zürich naar Amsterdam zou brengen.

Een jongeman die veel weg had van een magere Willem-Alexander stond voor mij in de rij om aan boord te gaan van een vliegtuig dat ons die zondagavond van Zürich naar Amsterdam zou brengen. Naast hem stond een dame in een bontjas, vermoedelijk een jaar of tien ouder dan hij, die voortdurend iets in zijn oor fluisterde en hem ook onophoudelijk kusjes gaf.

De man wekte de indruk zich te schamen voor deze al te nadrukkelijke genegenheid, maar hij liet haar begaan en deed zelfs een paar keer zijn best te glimlachen. Af en toe keek hij naar achteren; als hij mijn blik opving, keek hij snel de andere kant op.

Hoewel ik gepaste afpast hield – ik gun iedereen genegenheid in het openbaar, en trouwens ook in de eigen slaapkamer – ving ik op dat de bontjas in Zwitserland was gekocht.

De dame zei: ‘De zakken zijn zo lekker warm. Moet je voelen.’

Ze pakte de hand van de jongeman en stak die in de zak van haar bontjas. Hij keek steeds ongelukkiger.

(Ik weet dat er goede redenen zijn om tegen bont te zijn, maar aangezien ik van mijn eerste Ako-prijs in 2000 een jas kocht van marmottenbont, past het mij niet al te moralistisch te zijn over bont. Daaraan moet ik toevoegen dat ik nu, vijftien jaar later, die jas van marmottenbont nog altijd af en toe aantrek, dus helemaal voor niets zijn de marmotten niet gestorven.)

Eenmaal in het vliegtuig bleken de tortelduifjes niet naast elkaar te zitten. Zij had een stoel in de sectie ‘economy comfort’ en hij zat achterin. Ze probeerde een stewardess te overtuigen dat ze naast elkaar moesten zitten, maar de stewardess was streng: iedereen moest echt even gaan zitten op de stoel die hem was toebedeeld.

Bij de bagageband in Amsterdam zag ik hen weer. Hij zag nu wat bleek, alsof hij zojuist had overgegeven. Zij had niet meer de aanvechting hem te bedelven onder liefkozingen, ze streelde alleen nog haar jas.

Ik geloof dat ze bij nader inzien haar jas interessanter vond dan de magere Willem-Alexander, en geheel ongelijk kon ik haar niet geven.