Fabriek

Arnon Grunberg ,

dinsdag 27 januari 2015

Kennisoverdracht is een intieme aangelegenheid, wat graag vergeten wordt, omdat wij die intimiteit eng zijn gaan vinden. Intimiteit lijkt op misbruik, nietwaar? Kennisoverdracht is een risicovolle aangelegenheid...

Kennisoverdracht is een intieme aangelegenheid, wat graag vergeten wordt, omdat wij die intimiteit eng zijn gaan vinden. Intimiteit lijkt op misbruik, nietwaar?

Kennisoverdracht is een risicovolle aangelegenheid. Soms mislukt de overdracht; leerling en leraar lagen elkaar niet.

Omdat wij ook op het gebied van onderwijs geen risico’s meer wensen te lopen, zijn wij kennisoverdracht, als ging het om medische of militaire operaties, van protocollen gaan voorzien. De leerling wordt voortdurend getest, zijn achterstand wordt in maanden uitgedrukt (wat spellen betreft, een achterstand van twee maanden, begrijpend lezen: vier maanden.) Deze achterstand wordt met vereende krachten weggewerkt. Is dat gelukt, beschouwen we het onderwijs als een succes. Het kind kan naar de havo in plaats van het vmbo, of naar vwo in plaats van havo. Het onderwijs is de fabriek, het kind is het kalf dat min of meer levend de fabriek ingaat en er als worst weer uitkomt. (Wat dat betreft lijkt het onderwijs op de gemiddelde talkshow; de gast moet een worst worden. Sommige gasten zijn daar zo bedreven dat ze preventief al worst zijn geworden.)

Wat moet kinderen worden aangeleerd? Welke boeken moeten ze gelezen hebben? Welke vaardigheden moeten ze beheersen?

Aangezien literatuuronderwijs in praktijk veelal een literatuurvernietigingsmachine is, moet kinderen worden geleerd om te spelen. Spelen biedt de mogelijkheid om sociale intelligentie te ontwikkelen; spelen maakt flexibel, spelen maakt nieuwsgierig.

Het leven van het kind in onze cultuur is steeds meer volgebouwd met verplichtingen, alsof het kind een kleine fabrieksarbeider is. Laten we niet nog meer verplichtingen aan dat kind opdringen.

Kunstonderwijs mag dit zijn: bied het kind de mogelijkheid om te leren spelen, en te reflecteren over dat spelen. Kunstonderwijs hoeft niet meer te zijn dan te leren dat het kind mag fantaseren zonder zelfcensuur, dus dat het bijvoorbeeld mag fantaseren om zijn ouders te doden, de poes te martelen en zijn zus of broer te ontkleden. Dat is wat kunst is: een vrijplaats waar fantasieën kunnen worden uitgeleefd, op onschadelijke wijze, waar wet en moraal tijdelijk niet gelden. Dit spelen is ook een uitstekende voorbereiding op de arbeidsmarkt, die zo gekenschetst kan worden: spelen onder quasi serieuze omstandigheden. Uitzonderingen daargelaten.