Angsten

Arnon Grunberg ,

Een korte verhandeling over vrijheid, vliegangst en andere angsten.

1. Zijn wij vrij? Dat hangt er vanaf hoe je vrijheid definieert. Heidegger suggereert in een van zijn teksten dat vrijheid uiteindelijk een gedachte-experiment is, een idee waarvoor ik sympathie voel, al begrijp ik ook dat mensen die zich bezighouden met de inrichting van een maatschappij weinig geduld hebben voor dergelijke gedachte-experimenten. De mens is vrij, tenzij anders bewezen, laten we het daarop houden.

2. Een tijd geleden schreef iemand me: ‘Ik kom niet naar je toe want ik heb vliegangst. Sorry.’ Misschien was de vliegangst een excuus. Veel angst, vermoedelijk alle, is angst voor controleverlies. Wie in het vliegtuig stapt, geeft zich over aan het noodlot. Voor zover vrijheid begrepen wordt als keuzemogelijkheid valt er in een vliegtuig namelijk niet heel veel meer te kiezen. Hoe je je gedraagt in het vliegtuig, tenzij je zelf de bom tot ontploffing brengt, zal aan de vlucht weinig veranderen: je landt veilig of je stort neer. Hooguit kun je tijdens het neerstorten zeggen: ‘We hadden toch niet Germanwings moeten nemen.’ Iets soortgelijks geldt natuurlijk ook voor terroristische aanslagen en een verkeersongeluk, het kan allemaal worden opgevat als noodlot. Na een aanslag kun je zeggen: ‘De overheid moet de grenzen sluiten.’ Maar dat is net zoiets als zeggen na een vliegramp: ‘Vliegen moet veiliger worden.’ Vliegen wordt trouwens wel degelijk veiliger en terroristische aanslagen nemen af.

3. Toen ik opgroeide, riepen mensen in mijn omgeving, vrij naar Sartre: wij zijn bang voor de vrijheid. Mij leek dat onwaarschijnlijk, ik was er in elk geval niet bang voor. Later begreep ik dat ze bedoelden dat de keuzemogelijkheid ons angst aanjaagt. De waarlijk geïnformeerde keuze is echter alleen voor de goden weggelegd, voor stervelingen is kiezen altijd controleverlies.

4. De dame met vliegangst schreef me later: ‘Ik ben bang dat je uit mijn leven verdwijnt.’ Ze was bang om te vliegen en ze was bang dat ik zou verdwijnen. Overal was kennelijk angst, hooguit was de ene angst nijpender dan de ander. Misschien moeten we onze angsten als kinderen beschouwen en tegen elkaar zeggen: ‘Mag mijn angst met de jouwe buiten spelen?’