Koken

Arnon Grunberg ,

Een korte verhandeling over koken.

  1. In wezen is koken het opwarmen en bij elkaar voegen van diverse soorten voedsel. Soms hoeft er zelf niets te worden opgewarmd. Je hebt bijvoorbeeld koude soep, maar menigeen maakt het ingewikkelder. Ook dat is beschaving. Koken is meer dan opwarmen en eten is meer dan je maag vullen om de periode erna door te komen, maar in noodgevallen mag koken opwarmen zijn en is eten vreten.
     
  2. Ook als je niet kunt koken, zoals ik, kun je altijd een bijdrage leveren aan de maaltijd, bijvoorbeeld door iets mee te nemen van de traiteur. Of door aan te bieden uien te snijden. Het is me opgevallen dat mensen die wel kunnen koken bijna altijd uien snijden. Ik heb weleens het vermoeden gehad dat koken een excuus is om uien te snijden. Het is natuurlijk ook een erg amusante en gezonde bezigheid.
     
  3. In een ver verleden kookte ik weleens vissoep. Dat is niet moeilijk, je laat gewoon diverse soorten vis in kokend water glijden. Aan de visboer vroeg ik: ‘Welke soort zal ik er het eerst in laten glijden?’ Daarop gaf hij meestal keurig antwoord.
     
  4. Er zijn mensen die beweren dat koken meditatief is. Dat is waar, zie punt 2, maar dit is toch te weinig reden om te gaan kokkerellen. Dan is yoga beter en gezonder.
     
  5. Sommigen beweren dat liefde door de maag gaat en daarom koken ze een maaltijd voor de man of vrouw die ze willen verleiden. Een onnodig risico. Wie kookt, kan maar liefst twee keer worden afgewezen: zijn of haar eten kan onsmakelijk worden bevonden en tegen de mens zelf kan worden gezegd: ‘Je bent heel vriendelijk maar ik wil je echt niet.’ Wie naar een restaurant of snackbar gaat, kan maar één keer worden afgewezen.
     
  6. Samen koken schijnt te verbroederen. Politici zouden derhalve vaker samen moeten koken. Moslims zouden ook eens samen met Wilders moeten koken. Recensenten met acteurs of schrijvers. Ze hoeven natuurlijk niet met elkaar in bed te duiken, maar samen koken is altijd een goed begin.
     
  7. Iemand vroeg me: ‘Is het zielig als ik bij de slager om één gehaktbal vraag?’