Antwoord aan René

Chris Kijne ,

'VPRO'ers moeten zich uitspreken over het islamitisch fundamentalisme.' Dat zei columnist René Cuperus afgelopen donderdag in Bureau Buitenland. Presentator Chris Kijne ging toen niet in op dit verwijt. Nu wel.

Afgelopen donderdag, in Bureau Buitenland, was Volkskrant-columnist en medewerker van de Wiardi Beckman-stichting René Cuperus te gast. Onderwerp van gesprek was Duitsland en de te verwachten gevolgen van de aanslag op Charlie Hebdo op het daar juist recent zo heftig opgelaaide Islam-debat.

Pegida enzo, u weet wel, uit Dresden.

Chris Kijne

De vraag van uw presentator was hoe deze groep verontrusten aan te spreken, door Cuperus zelf omschreven als ‘de snackbarhouders’, maar iets inhoudelijker gedefiniëerd: de moderniseringsslachtoffers, de verweesde sociale onderlaag die alle problemen van de globalisering op zijn bordje krijgt, inclusief de duisterder kanten van de immigratie. Juist in deze dagen. Met als bijkomende vraag of het verstandig was dat Angela Merkel de demonstranten in haar principiëel zo fraaie waarschuwende toespraak massaal weg had gezet als mensen met haat in het hart.

Maar zo gemakkelijk wilde René het deze VPRO-presentator niet maken en zei het volgende:

Verwijt aan links

In het kort: het is al te makkelijk om meteen weer over de snackbarhouders te beginnen. Het is de VPRO zelf en alles waar ze voor staat, vrijzinnigheid, klassiek liberalisme and all that, die hier aangevallen is. En het wordt tijd dat VPRO-ers en het soort intellectuelen dat zich hier aangesproken hoort te voelen zich eens helder uitspreken over het islamitisch fundamentalisme. In plaats van altijd weer meteen te beginnen met: O jee, hoe zal de onderklasse reageren, als dit maar niet tot maatschappelijke verdeeldheid gaat leiden.

Alsof wij geen probleem met de Islam hebben.

Omdat ik toch voor onze luisteraars vooral erg graag wilde weten hoe onze gasten dachten dat het nu in Duitsland verder zou gaan, liet ik de voorzet even lopen. Maar ok, René, daar komt-ie:

De ondertoon van je verwijt was duidelijk. Jullie linksliberale types hebben nooit een fatsoenlijk Islam-standpunt ontwikkeld. Een verwijt dat je, begreep ik uit de nazit, niet in de laatste plaats ook richt aan je eigen partij, de PvdA, waar ‘zelfs feministen het belangrijker vinden een moslimpartij te zijn dan op te komen voor vrouwenrechten’.


En je hebt beslist een punt.

Iets te lang hebben ‘wij’ moeten wennen aan het idee dat onze emancipatoire idealen vaak niet stroken met het conservatieve gedachtengoed van niet alleen de fundamentalistische maar ook de mainstream Islam. Het is te lang zo geweest dat terechte kritiek op dat islamitisch geïnspireerde gedachtegoed niet duidelijk genoeg werd uitgesproken, uit angst nog extra in te hakken op een groep die maatschappelijk toch al in de verdomhoek zat. Links en klassiek liberaal heeft naar zijn positie moeten zoeken en doet dat, zie je eigen partij, soms nog steeds. Dat kan je verkeerd noemen en dat was het ook, maar het was tegelijkertijd een verklaarbaar maatschappelijk proces. Gechargeerd gezegd: de klassenstrijd staat, hier in West-Europa, nu eenmaal haaks op het patriarchale conservatisme van de mainstream Islam.

Dus dat we op dat kruispunt een tijdje raar hebben staan koekeloeren, is niet heel vreemd.

Alles op één hoop

Om iets meer op je rechtstreekse verwijt in te gaan: dat het tijd wordt dat diezelfde intellectuelen zich eens uitspreken over het ‘islamitisch fundamentalisme’, lijkt me een onzinnige opmerking. Zonder iets schoon te willen poetsen: met name in onze buitenlandprogramma’s wordt al jaren uitentreure aandacht besteed aan de gevaren van dit extremisme, aan de oorzaken en de denkwijze en aan mogelijke tegenstrategiëen.

Nooit genoeg misschien, maar zeker niet te weinig. Het is ook helemaal geen ingewikkeld standpunt en dus ook geen enkele verdienste.

Maar misschien zit precies in die formulering – het feit dat je vroeg om een veroordeling van het islamitisch fundamentalisme – wel het gevaar. Dat we weer gezellig alles op een hoop gaan gooien. Dat we een te terughoudende aanpak van islamitisch conservatisme – aanpak in de zin van debat – gaan verwarren met het niet ondubbelzinnig veroordelen van religieus extremisme. Terwijl het punt nu juist is, dat dat zo volstrekt verschillende dingen zijn.

Uit alle reacties vanuit de moslim-gemeenschap na Charlie Hebdo spreekt een zoveel groter zelfbewustzijn dan veertien jaar geleden, dat links of liberaal ook helemaal niet meer zo bang hóeft te zijn voor een stevig debat over liberale waarden en vrijzinnigheid. Dus vooruit met de geit. Maar vooral met in het achterhoofd dat onze tegenstanders in dat debat meerendeels de belangrijkste bondgenoten zijn in dat andere gevecht – nee, geen oorlog – het gevecht tegen het gewapende jihadisme.

En dat probleem is zoveel ingewikkelder dan religiekritiek.

Want iedereen die zegt dat het niets met de Islam te maken heeft, bazelt even hard als degene die beweert dat het inherent is aan dé Islam. Iedereen die beweert dat het niets met westers kolonialisme te maken heeft, is net zo de weg kwijt als degene die beweert dat het daar uitsluitend uit voortkomt. Iedereen die zegt dat het niets met sociale achterstelling bij ons te maken heeft, is net zo in de war als degene die het daar rechtstreeks uit wil verklaren. En zo kan ik nog een paar ingewikkelde verbanden noemen.

Want dat is volgens mij de belangrijkste taak van zogenaamde intellectuelen: uitleggen dat we het niet leuker kunnen maken, en ook niet makkelijker.