slaap

Esther Gerritsen ,

Vrijdag 10 april 2015

Ik slaap graag en veel.

Ik slaap graag en veel. Toch slaap ik vaak alsof het een tijdelijke bevlieging is, een
 fase, met steeds nieuwe oorzaken. Soms is het de schuld van het begin of het einde van de lente of de zomer, herfst of winter, dan ga ik nu eenmaal ’s middags altijd even liggen. Of het was ook gewoon een hectische tijd, vind je het gek dat ik nu zo vroeg naar bed ga. Of de reden is niet te achterhalen – maar zeker tijdelijk – dan ga ik liggen met verbazing en zeg later: ‘Ik weet ook niet hoe het kwam, maar ik kreeg me toch opeens een slaap!’

Nou, onderhand weet ik wel hoe het kwam: ik ben zo geboren. Ik houd van slaap en ik heb er veel van nodig. Het is een levenslange fase.

Tot voor kort voelde mijn slaapverlangen als een handicap en een verlies. In al die tijd die ik versliep, verrichten andere mensen grootse zaken. Totdat Richard Wiseman het voor mij opnam. Ik las zijn boek Nachtrust – Lessen in slaap, en zelden heeft een boek mij zo gelukkig gemaakt. Op elke bladzijde wordt het belang van de slaap bezongen, wordt de helft van de wereldbevolking beticht van slaapgebrek, en wordt slaapgebrek aangevoerd als de reden van concentratieverlies, depressie, angst en Noem Maar Op. Met andere woorden: lees het boek niet als je last hebt van slapeloosheid, je wordt er niet vrolijk van, dit boek is voor de slapers.

Behalve een flinke nachtrust van negen uur, bezingt Wiseman ook de middagslaap, een gewoonte waar ik al jaren tegen vecht, maar het gevecht is nu gestaakt.

Omdat mijn gordijnen zo licht zijn, heb ik zelfs een slaapmasker aangeschaft. Het verduistert totaal. Dat had de verpakking al beloofd, en toen ik het opzette was het inderdaad donker, en toch…

Ik zag niets, maar mijn hele bewustzijn schreeuwde: en toch is het licht! Ik sperde mijn ogen in het masker wijd open, en ik durfde haast te zweren dat ik het licht kon zien. Mijn brein had tijd nodig om de leugen dat het nacht was te geloven. Ik moest geduld hebben, maar dat had ik niet, ik had geen tijd, ik moest slapen, want slapen is goed. Hoe kon ik mijn brein nog sneller van de duisternis overtuigen? Ik moest een test doen. Toen stak ik drie vingers op. Mijn god, ik deed het echt. Ik zag ze inderdaad niet. Het waren er drie.