Vakantie

Esther Gerritsen ,

Een van de verlangde vakantieplannen van mijn dochter was een dag zonder plannen. ’s Ochtends vroeg het huis uitlopen en niet van tevoren bepalen welke kant je opgaat. Als toeristen die de stad niet kennen.

Al voor het ontbijt kwamen we op de hoek van onze straat natuurlijk in de souvenirwinkel terecht. Mijn dochter mocht iets uitzoeken. Ze koos een Delfts blauw molentje met een Delfts blauw mannetje ernaast. Ze houdt enorm van souvenirwinkels. Misschien omdat souvenirs de kleuren van speelgoed hebben?
Ik dacht altijd dat mijn eigen souvenirliefde kwam van mijn bezoeken aan mijn grootouders vroeger. Ze hadden geen speelgoed in huis en de dingen waarmee ik speelde, waren de souvenirs die ze van hun kinderen hadden gekregen. Ik herinner me er nog maar twee: een molentje met een lichtje erin, en een rode gitarist met een magnetische buik waarop een bieropener was geplakt die een gitaar voorstelde.
De felle kleuren van de souvenirs detoneerden in hun donkere huis en leken voor kinderen bedoeld.
Toen ik pas een decennium later in het buitenland in een toeristenwinkel kwam, was het dan ook alsof de speelgoedkist openging. Dat gevoel heeft jarenlang stand gehouden.
In een winkel in een klein Amerikaans dorpje heb ik eens heel lang met zo’n stuk gelakt hout in mijn handen gestaan, waarop een foto van een hert was geplakt. Ik streelde het en probeerde de aantrekkingskracht van het ding te snappen. Ik legde het weemoedig terug, als iets wat je op je zevende had willen kopen. Ik wist dat het nu niet meer kon. In mijn huis zou het een grap worden en zo zou het alle glans verliezen.
Dus mag mijn dochter souvenirs kopen.
Tegenover de souvenirwinkel gingen we ontbijten op het terras. We bestelden een ‘Frans ontbijt’. Met koffie, chocomel en croissants, en een molentje in haar rugzak, keken we domweg gelukkig naar de gevels van onze straat. Naast ons bespraken vier Italianen waar ze fietsen zouden gaan huren.
Na het ontbijt sloegen we een paar onbekende straten in tot we op een droevig speelplein met metalen rekken strandden. We wisten even niet zo goed wat we verder moesten en gingen zitten op een trapje naast een vuilnisbak.
We waren nog geen uur onderweg. De zon brandde. Ik wilde een andere broek aan. De zinloosheid bekroop me. Nu waren we pas echt op vakantie.
Op dat moment vroeg mijn dochter me of ik niet gewoon haar vriendin kon bellen, om met haar in de gracht achter ons huis te gaan zwemmen, zoals we gisteren ook hadden gedaan.