Kiezelstenen

Esther Gerritsen ,

In mijn tuin scheid ik de grond van het grind. Ik leg een kiezelpad aan van oeroude stenen.

De gladde ronde kiezels moeten enorme reizen hebben afgelegd, meegenomen door de rivieren. Vraag me niet hoe ze allemaal in mijn tuin terecht zijn gekomen, maar ze zijn er.
Ik weet niet of het mogelijk is om zelf kiezelstenen te maken, ze net zo rond, glad en grillig te krijgen als de tijd en de natuur dat kunnen. Als het al kan, vermoed ik dat het meer moeite kost dan ze gewoon uit de rivierbedding te zeven.
Zodra je weer oog voor kiezelstenen krijgt, kun je net als een kind niet meer de stoep over zonder mooie exemplaren op te pakken en in je zak te stoppen. Ze zijn overal.
Wroetend in de grond achter mijn huis vind ik schat na schat en tussen de ouderdom van de stenen lost mijn jong bestaan langzaam op.
Als ik honderd meter verder zou lopen over deze grond achter mijn huis, zou ik bij de Hollandse Schouwburg uitkomen en daar overheerst de recente geschiedenis. Ik hoef eigenlijk alleen maar op te kijken van mijn handen in de grond en ik zie vlakbij de half afgebroken achtergevel, en als ik me uitrek ook het monument.
Ik zag deze zelfde week een documentaire over de zonen van topnazi’s. Een document over schuld, geschiedenis, schaamte en afkomst. Een van de mannen, een op het eerste oog lieve, zachtaardige man, kan het idee van zijn vaders schuld niet verdragen en blijft hem kalm verdedigen. Nooit verheft hij zijn stem als mensen zijn vader beschuldigen. Ja, het was allemaal vreselijk, maar het lag niet aan zijn vader, die had geen keus.
Ze nemen hem mee naar een ruïne van een heel oude synagoge die door de nazi’s is vernield. Over de nazi’s zegt hij daar geen woord. Wel spreekt hij met liefde over deze prachtige plek, hoe het er 300 jaar geleden was en hoe het er misschien ooit weer zal zijn.
Ze nemen hem mee naar een plaats in Polen waar een massaslachting is aangericht onder de verantwoordelijkheid van zijn vader. Hij is diep onder de indruk, maar spreekt niet over zijn vader. Hij spreekt over de wreedheid van de mens, over de slagvelden die er altijd al waren. Hij filosofeert wat over eeuwig bloedvergieten.
Hij gaat liever 300 jaar terug dan zeventig jaar. Terug naar een verleden dat niets met hem of zijn vader van doen heeft.
Hij vindt zijn vrede in een vage levensfilosofie waarin wij mensen willoze kiezelstenen lijken, die door de omstandigheden worden gepolijst, gebroken of vermalen.