een amsterdammer in den haag

Merel van Ommen ,

Musicoloog, kunsthistoricus én Amsterdammer Marko Kassenaar fantaseert over een Amsterdamse versie van het Haagse Hofvijverconcert.

Het Festival Classique Hofvijverconcert
Nederland 2, 21.40-22.50 uur

Goedenavond Marko Kassenaar. Als musicoloog en kunsthistoricus, werkzaam voor zowel het Koninklijk Concertgebouw als het Rijksmuseum in Amsterdam, heeft u vast een mening over het Haagse Hofvijverconcert?
‘Jazeker!’
Dit jaar belicht het Hofvijverconcert drie Hollandse schilderijen uit het aanstaande vrijdag heropenende Mauritshuis: De Anatomische Les van Rembrandt, Meisje met de Parel van Vermeer en De Stier van Potter. Welke werken uit Het Rijksmuseum zou u selecteren?

‘Poeh. Eigenlijk is het zinloos om de collectie van het Rijksmuseum tegen die van Het Mauritshuis af te wegen. Het zijn beide Eredivisiemusea, en in de collectie van Het Mauritshuis zit geen zwakke broeder. Maar als ik bedenk wat de Amsterdamse pendanten zijn van deze drie dan kom ik op [respectievelijk]: De Nachtwacht van Rembrandt, Het Melkmeisje van Vermeer en de collectie van Van Ruysdael.’

Hofvijverconcert 2013

Vanavond klinken werken van Carl Nielsen, Ottorino Respighi, Claude Debussy, Paul Dukas en Joseph Canteloube over de Hofvijver. Met welke Amsterdamse keuze steekt u die Hagenezen de loef af?
‘Eigenlijk heb ik al een beetje zitten knutselen op een echt Haags programma. Als ik als Amsterdammer Den Haag bezoek valt op dat deze stad een heel ander uitgesproken karakter heeft. Het is de Hofstad, de groenste stad van Nederland. Weids, met zowel natuur als stad om je heen. De muziek moet daarom niet al te complex of stil zijn. Het moet dichtbij kunnen komen, zonder dat het storend is dat er vogelgefluit of stadsgeluiden – fietsen, auto’s of een lallende zatlap – doorheen klinken. Ik zou daarom beginnen met een stuk van Aaron Copland, de oervader van de Amerikaanse klassieke muziek. Quiet City (1939) is een sfeervol stuk dat aan de hofvijver heel charmant zal samenklinken met een voorbijkomende tram op het Binnenhof. Vervolgens zou ik gaan voor George Gershwins An American in Paris (1928). Leuke, vrolijke muziek met muziekinstrumenten die claxongeluiden imiteren. Het publiek zal ervan glimlachen, en er wordt met de voeten meegetikt. Na dat Amerikaanse gedruis is het tijd voor de Franse componist Henri Duparc. Zijn Aux Étoiles (1911) is een schattig, klein stukje. Geen uitbarstingen of getoeter – passend bij een nachtelijke sfeer. Als je bij de Lange Vijverberg op de heuvelglooiing zit, is dat hét moment om een dekentje om je geliefde heen te slaan. Tot slot: het opzwepende Rugby (1928) van Arthur Honegger – om een ballet op te laten dansen – en een stuk van Maurice Ravel. Niet de Bolero – da’s een afgelikte boterham – maar Daphnis et Chloé, Tweede Suite.

En de finale?

‘Het Prinsengrachtconcert eindigt met ‘Aan de Amsterdamse grachten’. Waarom niet aan de Hofvijver afsluiten met een mooi georkestreerd ‘Oh Oh Den Haag’?’