verhalen opdiepen

marten minkema ,

Ook achter onwaarschijnlijke locaties gaan vaak unieke verhalen schuil. Luister naar de reizende radioserie Achterland bij Woord.nl.

urnestate

Neem bijvoorbeeld de A7 richting Groningen, met zicht op eentonige groene vlakten en bedrijfsloodsen. Ter hoogte van Drachten is er geen enkele reden om extra aandacht te besteden aan het weiland rechts, een lap grond zoals alle andere. Maar voor mij is niets minder waar, want deze aarde is onlosmakelijk verbonden met mijn achtertante Janny Velde, die aan de horizon woont in de boerderij van rond haar geboortejaar 1930.
Dit grasland was haar achterland, waar ze in haar lange leven met haar ouders duizenden melkkoeien heeft geweid. Als kind kwam ik veel langs en vergaapte me aan de majestueuze rode beuk in de voortuin, die ook al schaduw gaf aan de boerderij die hier vroeger stond. En in de hal rinkelde ik langs de wel honderd medailles die daar hingen van alle fokstieren die furore maakten in het buitenland. Of ik plukte bakkenvol aalbessen in de moestuin die hier al minstens tweehonderd jaar ligt.
Nu zit Janny in het voorhuis en luistert naar de klok in de keuken, waarvan de tikken levendig weerkaatsen tegen de tegeltjes. De stal erachter is al jaren leeg, en het achterland gedwongen verkocht vanwege bedrijventerrein Drachten Azeven aan de snelweg. McDonalds heeft zich op de rand neergezet als een teek, er is een Sligro en iets van Heineken, maar verder wil het niet zo vlotten. Janny hoeft het niet te zien, ze kijkt nooit meer naar achteren, heeft de blik altijd op het voorland, de paar hectare die daar nog ligt van Urnestate, zoals de boerderij is vernoemd naar een eeuwenoude urn die bij de bouw werd opgegraven. Nog veel ouder zijn de vuistbijlen uit de Steentijd die bij het ploegen van het achterland naar boven kwamen. Nee, ze denkt niet dat de nieuwe bewoners van het achterland veel interesse zullen hebben voor die geschiedenis. Janny wijst door het raam naar de appelboom die door haar moeder is geplant. En naar de grote geelbladige es die met haar late zomergoud de rode beuk de loef afsteekt. Bij iedere plant en boom hoort een verhaal.

urnestate

Als ze er straks niet meer is, zijn die verhalen ook weg. En dat is niet erg, zegt ze. Dat is zoals het gaat. Maar ik vind het wel erg. Toe tante, vertel nog eens iets. Over die brand in 1966, ontstaan door een kortsluiting of een peuk. Het was halfzes in de namiddag en binnen tien minuten stond het hele rieten dak van de schuur in lichterlaaie. Alleen door de kop-hals-rompbouw bleef het woonhuis gespaard. Smeulend riet en stro vloog door de hitte en wind hoog boven het achterland heen en kwam kilometers verderop terecht in de ommuurde tuin van het Karmelklooster. De ongeschoeide karmelietessen zagen dat als teken Gods en spoedden zich naar de boerderij om aan tafel in de keuken bijstand te verlenen – en voor even bevrijd te zijn van hun zwijggelofte. Ze zijn tot heel laat gebleven. We luisteren nog even naar de klok, dan neem ik afscheid en loop om de boerderij heen naar achteren. Daar stuwt het geraas van de A7 tegen de stille stal op.  

De poentunnel

Poentunnel

Valt er nog iets te ontdekken in hartje Amsterdam? Jazeker. De grachtengordel oogt als een strak voorbeeld van perfecte stedenbouw, maar dat is schijn. Want tussen en achter de opgepoetste gevels wemelt het van de ongeplande grondstukjes en loze ruimtes die tijdens de haastige nieuwbouw in de zeventiende eeuw ontstonden.
Urbanist Michiel van Iersel probeert die plekken te bereiken, waar het tochtig is en koud en vochtig als in een grot. Hij beschrijft de gedempte geluiden die er binnendringen en weerkaatsen tegen de muren als de oudste echo’s van Amsterdam, waartussen hij zich omarmd voelt door de stad. Vandaag gaat hij met radiomaker Frederique Melman op zoek naar de meer recente Poentunnel. Dat zou een onderaardse gang zijn uit de jaren zeventig, die de oude ABN-Amro-panden De Bazel en Duintjer aan weerszijden van de Keizersgracht met elkaar verbindt. In de kelders van De Bazel is alles dichtgeplamuurd en niets te zien van een opening naar de andere kant. Maar Duintjer is in verbouwing en bouwopzichter Geert is ook nieuwsgierig. Hij gaat voor in het uitgestrekte keldercomplex, met z’n vele gangen, trappen en pikdonkere zalen die ruiken naar oud kantoor en waar de gemoffelde akoestiek tot fluisteren maant. In het zoeklicht van de smartphone blijken ze nog bekleed met originele vloerbedekking, lambrisering en spiegelmuren. Vele deuren gaan van het slot en weer dicht, trappen worden beklommen en afgedaald tot tien meter onder de grond en dan, uit het niets, is daar een groot, gapend, vierkant zwart gat. Voorzichtig stapt het gezelschap naar binnen.

Wat is dit? Een sluipweg voor geldtransport? Een luxeroute voor de banktop tussen directiekamers en parkeergarage? Een atoombunker misschien? Waarom deed de bank hier altijd geheimzinnig over? En liggen nog meer verborgen Poentunnels onder Amsterdam of is de onbekendheid van dit stukje onderland uniek? In zijn soort waarschijnlijk wel, denkt Van Iersel. Want de geschiedschrijving van de Amsterdamse grachtengordel volgt meestal het geld en doet dat grondig. Duizenden boeken zijn verschenen over de Gouden Eeuw en de rijken in hun grachtenpaleizen. Maar van het leger aan arbeiders en bediendes daarachter hoor je niets meer. Het achterland waar ze woonden en werkten, hun armoedige woningen, de stallen en binnenplaatsen die via steegjes in verbinding stonden met de grachten – het is allemaal in beslag genomen en achter hekken verborgen door de nieuwe patriciërs van nu.

 

Eben-Ezer

Vanaf Maastricht is het niet meer dan een paar kilometer naar het achterland van de verbeelding. Ik fiets pal naar het zuiden, de Belgische grens over richting het dorpje Eben-Emael. En ook al weet ik wat komt, het is toch weer schrikken als de hoge vierkante Silextoren opduikt tussen de bomen en heuvels. Onder de sombere lucht zien de vier apocalyptische cherubijnen bovenop er vervaarlijk uit. De metershoge sfinx, adelaar, leeuw en stier houden hun vleugels klapwiekend gespreid, klaar om uit te vliegen. In feite staan ze doodstil, want ze zijn van beton. Maar de hele toren is zo bezield door zijn bouwer Robert Garcet, dat de fantasie al gauw een loopje met je neemt.

Garcet (1912-2001) was een pacifist, anarchist en kunstenaar, die zijn brood verdiende als vuursteenkapper in de mijnen van het Jekerdal. Onder de toren ligt bijna een kilometer aan mijngangen, waar het silex werd gewonnen voor de bemanteling van maaltrommels in de keramiekindustrie. Al hakkende verzamelde Garcet ook veel vuurstenen voor een hoger doel. Hij ontdekte er figuren in: apen, monsters, vissen, allerhande sauriërs en vooral ogen. Hoe meer ogen, hoe ingewikkelder de boodschap van de makers. Want het kon niet anders of dit was oeroude kunst, gebeeldhouwd door het Oude Volk, onze vreedzame en superieure voorouders die zeventig miljoen jaar geleden leefden.  

Eben-ezer

Ze verstonden de kunst om vuursteen zacht te maken en te bewerken. Garcet zag enkel goede, sympathieke expressies in de stenen, nooit slechte en gewelddadige. Op school had hij geleerd dat silex werd gebruikt om pijlen en andere wapens van te maken, nu kende hij de waarheid achter het vuursteen, die van liefhebben en creëren. Zo groot was zijn eerbied voor het Oude Volk en zo diep zijn geloof in zijn boodschap van vrede en wijsheid, dat hij het vuursteen uit de mijn naar boven wilde verheffen, en er in dertig jaar een toren van bouwde van zeven verdiepingen en bijna twintig meter hoog. Hij doopte de toren Eben-Ezer, in de bijbelse betekenis van ‘steen der hulp’. Op de top hees hij de vlaggen van het pacifisme en anarchisme en aan de hoeken metselde hij waterspuwers in de vorm van een bisschop, een magistraat en een generaal, de demonen die de wereldvrede in de weg staan. De vierde waterspuwer is een krokodil, die symbool staat voor de moderne mens.
Met het nabijgelegen dorp had Garcet nauwelijks contact, de dorpelingen vonden hem een rare snoeshaan en kwamen soms langs om iets te vernielen. Een goedwillende spontane bezoeker herinnert zich dat hij onder schot werd gehouden door de argwanende Garcet – toch opmerkelijk voor een pacifist. En een beetje begrijpelijk, want de Toren van Silex is erg kwetsbaar. Vuursteen is keihard, maar breekbaar als glas. Het krast en slijt door ieder gebruik, laat los uit het cement met iedere stap die ik op de grillige treden van de tuintrappen zet. Maar meer dan tien jaar na de dood van Garcet staat de toren zelf nog stevig, kan nog even wachten voordat de mens opnieuw leert hoe vuursteen zacht en kneedbaar te maken en het geweld af te zweren. Dan kunnen de cherubijnen eindelijk uitvliegen en vanuit dit sprookjesachtige achterland de boodschap van vrede, liefde en broederschap verkondigen.

De zon breekt nu door, en hoog boven mij blikkeren hun vleugels wit en zilver in het licht.

Eben-ezer