ijzer is goud waard

maarten van bracht ,

Dat de negentiende eeuw in Nederland geen saaie, maar juist een dynamische was, moge blijken uit de dertiendelige serie De IJzeren Eeuw. Marita Mathijsen breekt een lans voor de literatuur uit die eeuw. ‘Potgieter wilde met zijn opstel over de jansaliegeest juist de vooruitgang versnellen.'

De IJzeren Eeuw
Vrijdag, NPO 2, 21.05-22.00 uur
 
De succesvolle geschiedenisserie De Gouden Eeuw, proeftuin van onze wereld uit 2012 krijgt een vervolg in De IJzeren Eeuw, over de negentiende eeuw. Die eeuw gold lange tijd als saai en burgerlijk, maar stond in feite bol van dynamiek en innovatie – denk aan de stoommachine, trein en industrie – en dat allemaal dankzij één metaal: ‘Heden ten dage is het ijzer even onmisbaar voor onze behoeften als de lucht, het water en het vuur,’ schreef Tollens in 1841. In deze ‘ijzeren eeuw’ ontstaat de infrastructuur van het huidige Nederland.
Een van de medewerkers aan de serie, waarin presentator Hans Goedkoop opnieuw een prominente rol speelt, is Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde, gespecialiseerd in de negentiende eeuw. In De gemaskerde eeuw schreef ze over de mentaliteit van die eeuw, in Historiezucht over de toenmalige obsessie met het verleden. 
Het luie, op zijn ouders terende personage Jan Salie uit Potgieters Jan, Jannetje en hun jongste kind (1841), dat van zijn vader te horen krijgt dat hij wordt uitbesteed, is als jansaliegeest tot op heden een begrip. Hij stond model voor de hele negentiende eeuw, die kleinburgerlijk, suf en saai, landerig en moraliserend zou zijn geweest. 

Marita Mathijsen

Heeft de negentiende eeuw die reputatie echt aan Potgieter en zijn Jan Salie te danken?
Marita Mathijsen: ‘Ik denk dat het vooral komt door de Tachtigers, die die jansaliegeest sterk hebben benadrukt om zichzelf te profileren, om te laten zien dat zij juist moderne en vernieuwende literatoren waren. Zij drukten dat stempel: burgerlijk, moralistisch en stilstand. Potgieter wilde met zijn opstel over de jansaliegeest juist de vooruitgang versnellen.
Nu was er in het begin van de eeuw inderdaad sprake van stilstand en economische recessie, want de Fransen hadden het land gewoon uitgebuit en er was een enorme staatsschuld. Maar moderne onderzoeken wijzen uit dat vanaf Willem I wel degelijk geprobeerd wordt een nieuwe maatschappij op te bouwen waarin de burgermansmoraal hoog staat. Dat was een uitvloeisel van de Franse revolutie: nu is de burger aan zet. De napoleontische tijd was traumatisch geweest voor heel Europa, waarna in de nieuwe natiestaten wordt nagedacht over hoe kunt je zorgen voor een goed functionerende maatschappij, met meer gelijkheid, onderwijs voor iedereen, controle daarop, gezondheidsinspectie. Het spreekt vanzelf dat je daar een stevige moraal voor nodig hebt. Natuurlijk was die eeuw moralistisch, maar daar zijn genoeg leuke uitzonderingen op.’

Brug over de Lek bij Culemborg, 1868

Waarom is na de Tachtigers dat negatieve beeld blijven hangen?
‘Omdat het steeds werd nagepraat en nageschreven. Het merkwaardige is dat juist die literatoren zo’n invloed hebben gehad op de geschiedschrijving. De geschiedschrijvers bleven het tot diep in de twintigste eeuw herhalen: een tijd van stilstand, saaiheid, burgerlijkheid. Dat van die burgerlijkheid klopt, maar ik vind dat je die anders, positiever moet waarderen. Burgerzin was nodig om een betere maatschappij na te streven.’
 
Door zich steeds maar op literatoren te beroepen heeft de geschiedschrijving gefaald?
‘In elk geval is een hoop blijven liggen in het onderzoek naar de modernisering. Er was te weinig aandacht voor de enorme omslag in die eeuw, in amper een paar decennia volgden allerlei ontwikkelingen elkaar razendsnel op. Hoe hebben de mensen dat beleefd, hoe is hun denken beïnvloed, daar was lang geen aandacht voor. Opeens niet meer afhankelijk zijn van de wind of een paard om ergens te komen. De trein was veel sneller. Het begrip van tijd en afstand veranderde, zoveel uren gaans als aanduiding voor afstand werd kwartieren en minuten. Reizen en migratie namen toe. Het contrast tussen stad en platteland werd minder, stadsmuren verdwenen. Over wat dat complex van versnelling en dynamiek voor de mensen betekende, de moderniteit van die eeuw, is pas sinds het laatste kwart van de twintigste eeuw geschreven. Ook verschenen er studies over de Bataafse Republiek [1795-1801], die voordien nooit behoorlijk is onderzocht, terwijl die toch al een moderne grondwet kende.’ 

Centraal station Amsterdam in aanbouw

De literatuur van de negentiende eeuw: domineespoëzie, moralistische rijmelarij en middelmaat. Moderniteit is ver te zoeken, afgezien van Multatuli.
‘Daar klopt niks van! Neem De lotgevallen van Klaasje Zevenster uit 1866 van Jacob van Lennep, die de lezer meeneemt naar een bordeel. Hij laat het voorafgaan door een reis per trein van de schrijver en een lezeres. Hij legt tijdens die treinreis uit waarom hij het nodig vindt in een roman die ook door jonge meisjes gelezen wordt over een bordeel te beginnen. Als je je kinderen waarschuwt voor een moeras, dan ook voor het gevaar van prostitutie.
Omdat Nederland een klein land is, is het niet zo vreemd dat Multatuli de enige is die er boven uitsteekt. Ook in Duitsland, Engeland en Frankrijk waren maar een paar schrijvers van Europees formaat, en ook daar wordt nog maar weinig uit de negentiende eeuw gelezen. Neemt niet weg dat in Nederland sprake is van onachtzaamheid, want van Klaasje Zevenster zou zo een prachtige televisieserie gemaakt kunnen worden. Maar behalve over Couperus worden in Nederland geen historische series gemaakt op niveau. Het is zo’n leuke roman, leuker dan Jane Austen! Ook Jacob Jan Cremer is een slecht gekende schrijver, die goede eigentijdse romans schreef. Hij schrijft over de uitbuiting van kinderen en arbeiders, gevangenissen, de uitsluiting van Joden, en doet daarin niet onder voor Dickens.’

Zicht op het voormalig Paleis van Volksvlijt

Komt dit ook in uw literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw?
‘Die wil ik inderdaad schrijven. Daarbij is het me er niet om te doen de canon te veranderen. Wel streef ik herwaardering na, herlezing. Ik beoog een reconstructie van de kennis die een gepassioneerde lezer in die tijd had. Wat wist bijvoorbeeld anno 1835 zo iemand van literatuur af? Bilderdijk is dan al dood, net als Goethe. Hij weet dat Walter Scott een reis door Nederland maakte, dat de zoon van professor Van Lennep een roman had geschreven in de geest van Scott, hij weet van de Belgische opstand, dat alle schrijvers daarover gedichten maakten. Welke literatuurtijdschriften las hij, wat drong tot hem door. Zo wil ik literatuurgeschiedenis schrijven, in de maatschappij en met de kennis van toen.’
 
Helpen hertalingen om de negentiende eeuw aan de man te brengen?
‘Lang dacht ik: het is nergens voor nodig, een beetje inspanning en je leest Beets zo. Maar de tijden veranderen. Toen schreef ik een artikel, “Liever een luie lezer dan geen lezer”. Met als overweging: we lezen Victor Hugo in vertaling, in moderne vertaling. Waarom zou dat niet mogen bij een Nederlandse schrijver uit die eeuw? Ik zou willen dat het niet nodig was, maar je moet je kop ook niet in het zand steken. De negentiende eeuw raakt nu eenmaal steeds verder terug in de tijd. De hertaalde Max Havelaar is weer op de literatuurlijst van het Vossiusgymnasium beland, en dat is toch winst.’ 
‘In amper een paar decennia volgden allerlei ontwikkelingen elkaar razendsnel op. Hoe hebben de mensen dat beleefd, hoe is hun denken beïnvloed? Daar was lang geen aandacht voor.’
Marita Mathijsen

Jacob van Lennep, 1846

‘Je ziet vooral dat de kunstenaars achterlopen op de ingenieurs van die tijd,’ laat Kees Zandvliet, conservator van Amsterdam Museum zich in Het Parool ontvallen.
‘Als je negentiende-eeuwers goed leest, merk je dat juist schrijvers de veranderingen zien aankomen. En als ze over het verleden schrijven is dat niet een vorm van regressie, integendeel: het verleden wordt gebruikt om het heden te belichten en te symboliseren. Dat was in heel Europa zo. Bovendien waren er ondernemende schrijvers. Jacob van Lennep heeft zich ingespannen voor de eerste waterleiding in Nederland.’
 
Waarom koos u Van Lennep om een biografie over te schrijven, en niet bijvoorbeeld Betsy Perk of Bosboom-Toussaint?
‘Ik zou wel een bio van Bosboom-Toussaint willen schrijven, maar die bestaat al, en een goede ook. Van Lennep heeft nog geen goede, en toch is hij een soort draaipunt in de maatschappij geweest. Het Amstel Hotel, de waterleiding, standbeelden, behoud van monumenten, aanleg van het Noordhollands Kanaal, de eerste verzamelde Vondel-uitgave, plannen voor een nieuw Rijksmuseum – hij lijkt wel bij elke verandering betrokken. Hij is het prototype van de vooruitstrevende burger die, met behoud van waardevols uit het verleden, aan een nieuwe maatschappij werkt. Hij is daarmee net zo’n belangrijk figuur als Sarphati, die als arts een vuilnisophaaldienst op touw zet, daarmee werkgelegenheid schept en de gezondheid van zijn patiënten bevordert, op een braak stuk land in ’t Gooi die vuilnis laat storten, zodat er vruchtbare aarde ontstaat waar tarwe op verbouwd kan worden, daar goedkoop fabrieksbrood van laat bakken en bovendien goedkope woningen voor zijn arbeiders laat bouwen. Over hem is al veel geschreven. Als persoon spannender dan Sarphati is Van Lennep, een spotter, iemand met een dubbele moraal. Hij schreef brave vaderlandse geschiedenissen van Nederland, maar ook een boekje waarin hij die juist belachelijk maakt, wat hem ernstig werd kwalijkgenomen. Het is gewoon een leuke man.’

In aansluiting op de televisieserie geeft Marita Mathijsen op 1, 8, 15 en 22 april lezingen over de culturele omslag in de negentiende eeuw is.uva.nl