Webredacteur Jan van Tienen over Clarice Lispector

Door Anne Moraal ,

De redactie van Nooit Meer Slapen krijgt wekelijks meer kunst en cultuur te zien dan in ons radioprogramma past. Daarom beginnen we een nieuwe online rubriek waarin we onze persoonlijke culturele fascinaties delen. In de eerste aflevering: Jan van Tienen, onze webredacteur, tevens schrijver, 31 jaar oud en liefhebber van mens en dier.

Troost in de vervreemding van Lispector

Je hoort vaak dat goede kunst troost kan bieden. We weten wel dat muziek ons kan raken, films ons kunnen ontroeren of een boek ons kan emotioneren. Maar hoe vaak komt het eigenlijk voor, echte troost door kunst? Jan van Tienen, onze webredacteur, ondervond dit aan den lijve.

Hij had een apocalyptische week, een week waarin de liefde het niet overwon. Het lag niet voor de hand om zo’n week af te sluiten met een literaire avond over Clarice Lispector in Perdu, liefdesverdriet dien je immers te verdrinken. Toch was het hier waar hij zich op deze avond bevond, maar gelukkig was er een bar en hij dronk een, twee drie, vier bier voordat een Amerikaan het podium op stapte. Deze man, Benjamin Moser, bleek de biograaf van de Braziliaans-Oekraïense schrijfster; Jan bleek de enige in de zaal die slechts vagelijk van haar had gehoord.

Clarice Lispector, godin van het woord in Brazilië. Clarice Lispector, de vrouwelijke Nabokov. Clarice Lispector, ‘de vrouw die eruitzag als Marlene Dietrich en schreef als Virginia Woolf’. Jan bestelde nog een rondje: “Het was alsof ik met het openen van de deur van Perdu, een geheel ander literair universum instapte.”

En toen begon de Amerikaanse Benjamin Moser in prachtig Nederlands te vertellen. Over hoe Clarice werd geboren tussen de puinhopen die de Eerste Wereldoorlog in de Oekraïne achterliet. Hoe ze naar Rio de Janeiro verhuisde en rechten studeerde. Hoe ze de wereld over reisde om vervolgens weer naar Brazilië terug te keren en hoe in 1967 haar huis in de fik vloog omdat ze met een brandende sigaret in slaap viel. Na Benjamin Moser was het de beurt aan anderen, zoals Arthur Japin en nog iemand van wie hij de naam niet meer wist. Maar daar ging het ook niet om, het ging om de verhalen die deze mensen voorlazen en die hem stuk voor stuk overvielen.

“Goede literatuur beschrijft dat waar je je vinger niet op kunt leggen,” zegt Jan, “een verhaal dat me nog steeds niet loslaat ging over een man die op straat liep met een neusbeer die dacht dat hij een hond was. Ik voelde verwondering, vervreemding en daarin vond ik troost- als een liefdevolle stomp in mijn maag. Niet dat ik me meteen beter voelde, maar ik voelde ten minste weer iets anders dan somber verdriet.” En daar zat hij dan in Perdu, aan het einde van een sombere week, totaal overdonderd door een wildvreemde vrouw.

Het verhaal, met de ronduit toepasselijke titel 'Liefde' mochten we met toestemming van de uitgeverij publiceren. Het verhaal is vertaald door Harrie Lemmens.

Liefde

Een hele poos geleden kwam ik ergens in een rij een vriend tegen en we stonden met elkaar te praten toen hij ineens verbaasd opkeek en zei: ‘Moet je zien wat raar.’ Ik keek achterom en zag een man de hoek omkomen met een rus­tig hondje aan de lijn.

Alleen was het geen hond. De houding van het beest was die van een hond en die van de man die van een man met zijn hond. Maar het was geen hond. Hij had een lange spit­se snuit waarmee hij uit een glas kon drinken en een lange maar harde staart – het had natuurlijk gewoon een indivi­duele variant van het ras kunnen zijn. Maar dat was niet erg waarschijnlijk. Mijn vriend wierp de mogelijkheid op van een neusbeer, maar ik vond het dier veel te veel lopen als een hond om een neusbeer te zijn. Of anders was het de meest berustende en voor de gek gehouden neusbeer die ik ooit had gezien. Intussen kwam de man in alle rust dichter­bij. Of nee, niet in alle rust. Hij had iets gespannens. Het was de rust van iemand die het gevecht aangaat: hij oogde als iemand die wil tarten, uitdagen. Het ging hier niet om een zonderling: hij vertoonde zich bewust in het openbaar met zijn vreemde dier. Mijn vriend dacht dat het ook nog een ander dier kon zijn, alleen wist hij zo gauw niet welk. Maar niets kon me overtuigen. Pas later besefte ik dat mijn verwardheid niet aan mezelf lag, maar voortkwam uit het feit dat dat dier zelf niet wist wat het was en dus geen dui­delijk beeld aan mij kon overdragen.

Tot de man aan ons voorbijliep. Zonder glimlach, rechte rug, hooghartig; nee, het is nooit makkelijk geweest be­oordeeld te worden door de menselijke rij, die steeds ho­gere eisen stelt. Hij deed net alsof hij geen bewondering of medeleven nodig had, maar de martelgang van iemand die een droom beschermt is zo herkenbaar.

‘Wat is dat voor dier?’ vroeg ik hem, en de toon waarop ik dat deed was intuïtief vriendelijk, om hem niet te kwet­sen door te grote nieuwsgierigheid. Ik vroeg hem wat voor dier het was, maar misschien hield de toon van de vraag ook in: waarom doet u dat? Wat mist u om een hond te bedenken? En waarom neemt u dan geen echte hond? Die bestaan toch! Of kon u dat dier niet op een andere ma­nier houden dan aangelijnd? Maar als je een roos te lief­devol vastpakt, knijp je haar plat. Ik weet dat de toon niet deelbaar is door woorden. Maar de stilte verbrijzelen met woorden is een van mijn lompe manieren om van de stilte te houden. En door de stilte te verbreken heb ik vaak ge­ dood wat ik begrijp. Hoewel ik – God zij geloofd – meer stilte ken dan woorden.

De man antwoordde zonder te blijven staan, afgemeten maar niet grof.

Het was werkelijk een neusbeer. Mijn vriend en ik ble­ven kijken. Glimlachen deden we niet. Dat was de toon en dat was de intuïtie. We bleven kijken.

Het was een neusbeer die dacht dat hij een hond was. Soms hield hij met zijn hondenbewegingen zijn pas in om ergens aan te ruiken – waardoor de lijn strak kwam te staan en hij zijn baasje een beetje tegenhield in de gebruikelijke afstemming op elkaar van mens en hond. Ik bleef kijken naar die wasbeer die niet wist wie hij was. Ik kan me voor­stellen dat als de man hem meeneemt naar het park om te spelen, de neusbeer op een bepaald moment in verlegen­heid wordt gebracht: ‘Mijn hemel, waarom kijken alle hon­den zo naar mij en blaffen ze zo woest tegen me?’ Ik kan me ook voorstellen dat de neusbeer na een heerlijke dag als hond tegen zichzelf zegt, terwijl hij weemoedig naar de sterren kijkt: ‘Wat heb ik toch? Wat mis ik? Ik ben even gelukkig als iedere hond, waarom dan deze leegte en deze weemoed? Wat is dat voor hunkering, alsof ik alleen maar kan houden van wat ik niet ken?’ En de man – de enige die hem kan verlossen van zijn vraag – die man zal hem, om hem niet kwijt te raken, nooit vertellen wie hij is.

Ik denk ook aan de haat die dreigt bij de neusbeer. Hij voelt liefde en dankbaarheid jegens de man, maar vanbin­nen bestaat de waarheid niet meer: en de neusbeer beseft alleen maar niet dat hij hem haat omdat hij fundamenteel in de war is.

En als het mysterie van zijn ware aard ineens geopen­baard werd aan de neusbeer? Ik moet rillen bij de gedach­te aan het fatale toeval dat de neusbeer tegen een andere neusbeer aanloopt en zich daarin herkent, bij de gedachte aan dat moment waarop hij de gelukkigste schaamte zou voelen die ons gegeven is: ik... wij... Ik weet best dat hij gelijk zou hebben als hij de man zou kunnen afslachten, uit haat om het ergste wat het ene levende wezen het andere kan aandoen: zijn wezen veranderen om hem te gebruiken. Ik ben voor de dieren en kies partij voor de slachtoffers van verderfelijke liefde. Maar ik smeek de neusbeer om de man te vergeven en dat met heel veel liefde te doen. Voordat hij hem verlaat.

Dit verhaal komt uit ‘De ontdekking van de wereld’, dat we met dank aan uitgeverij De Arbeiderspers mochten publiceren. Daar verscheen eerder ook ‘Clarice Lispector – De biografie’ door Benjamin Moser. In maart komt daar ook ‘Het uur van de ster’ uit, Lispectors laatste roman. Het verhaal is vertaald door Harrie Lemmens.