|
Beschavingslezing door Diamanda Dramm
Test: Anil Ramdas
Beschaving ligt altijd ver weg. Beschaving is net als de horizon: je kunt fietsen wat je wilt, maar komen doe je er nooit. Ik heb mij vaak vragen gesteld over de horizon. En ik heb mij ook vaak vragen gesteld over beschaving. Vergeeft u mij dus de brutaliteit u iets te vertellen over dit grote woord: beschaving. Voor een groot woord moeten we bij een groot dichter zijn. Met een dichter als Oscar Wilde wil ik genoegen nemen.
Zijn boek “The Happy Prince and Other Tales” is in deze kwestie tamelijk inzichtelijk. Die gelukkige prins, die bleek niet zo gelukkig te zijn. Laat ik u het verhaal vertellen. Er was eens een zwaluw die eerst verliefd raakte op een rietstengel. De andere zwaluwen vonden de relatie maar bedenkelijk: de rietstengel had geen geld en veel te veel familie, werd gekwetterd. En toen de andere zwaluwen waren gevlogen, richting Egypte, toen kreeg ook onze zwaluw een beetje spijt van zijn liefde. ‘Ze heeft geen conversatie’, bedacht hij, ‘en ze is koket, want zij flirt altijd met de wind’. Bovendien was de rietstengel te huiselijk; zij hield duidelijk niet van reizen. De zwaluw besloot alsnog naar het zuiden te vertrekken. Maar hij moet even uitrusten in de stad. Hij kiest een gouden beeld uit voor de nacht, hij gaat slapen op het voetstuk van het beeld van de gelukkige prins. Maar de zwaluw wordt nat van druppels die naar beneden vallen en hij merkt dat het de tranen zijn van de gelukkige prins. De zwaluw begrijpt er niets van en vliegt naar boven. ‘Wie ben je’, vraagt de zwaluw. ‘Ik ben de Gelukkige prins.’ ‘Waarom huil je dan?’, vraagt de zwaluw. De gelukkige prins tuurt vanaf zijn hoge sokkel naar de horizon en vertelt zijn verhaal. Dat hij vroeger, toen hij nog leefde, beschermd was opgevoed, ongeveer als ik, met knuffels, een warm dekbed en een nachtzoen. Toen hij stierf maakten ze dit beeld van hem en kon hij eindelijk kijken naar de wereld. En wat hij zag was niets dan ellende. Een oude naaister met een zieke dochter, een toneelschrijver die het te koud had om te schrijven, kleine zwervertjes overal. De prins vraagt aan de zwaluw om de robijn uit zijn zwaard naar het zieke kind te brengen. De volgende dag, als de zwaluw nu eens eindelijk wil vertrekken naar Egypte, vraagt de gelukkige prins om de saffier uit zijn ene oog naar de toneelschrijver te brengen, daarna de saffier uit het tweede oog en de daarop volgende dagen moest de zwaluw het bladgoud waarmee de gelukkige prins bedekt was brengen voor de zwervertjes. Blaadje voor blaadje. Intussen werd het kouder en kouder. Maar de zwaluw voelde de kou niet, omdat hij zich na iedere goede daad zo warm van binnen voelde. ‘Dat komt omdat je een goede daad hebt verricht’, legde de prins uit. De zwaluw kreeg het wel warm van binnen, maar hij stierf omdat het echt koud werd in de winter. Dit verhaal bracht mij op een gedachte, waardoor ik het woord beschaving beter begon te begrijpen. Beschaving is aan de ene kant: jezelf inhouden. Laat ik dat de vorm noemen van beschaving. Maar beschaving is aan de andere kant ook: niet alles voor jezelf houden. Laat ik dat de inhoud noemen. Mensen worden pas beschaafd, als ze in staat zijn te delen. En dan delen van datgene waar je al een tekort aan hebt. Wij willen niet delen, wij willen onze robijnen, saffieren of bladgoud voor ons zelf houden. Dat is logisch. Wij mensen hebben aan alles een te kort: we hebben een te kort aan bladgoud, en wij hebben een te kort aan verdraagzaamheid, aan gastvrijheid, aan solidariteit. Maar juist omdat het moeite kost om het weg te geven, noemen we het een uiting van beschaving: als je alle veiligheid, alle verdraagzaamheid, alle gastvrijheid en alle solidariteit voor jezelf houdt, kun je even goed een standbeeld zijn zonder gevoel. Het mooie aan het sprookje van Oscar Wilde is dat hij juist aan een standbeeld gevoel gaf. Daarmee bedoelde hij kennelijk te zeggen dat mensen de neiging hebben om zichzelf te zien als standbeelden, en het kenmerk van een standbeeld is dat het alleen staat. Alleenstaandheid, dat is een belachelijke voorstelling van onszelf. Als wij Nederlanders harteloze standbeelden zijn, dan denk ik dat u mij in de toekomst zult moeten missen. Ik ben dan liever een zwaluw, die niet nat wordt van de tranen van het beeld, want die tranen heeft u niet. Dan vlieg ik gewoon weg, naar het warme zuiden, en dan ga ik zitten op een piramide om naar de horizon te turen. En vanaf de piramide kan ik misschien uw droge saffieren in uw ogen zien. Misschien schieten de mijne op dat moment wel vol, maar dan is het te laat. Ik dank u.
|