|
Column: Religieuze tolerantie
Herman Philipse
Met Kerstmis moet ik altijd denken aan de redevoering van Diotima, waarover Socrates vertelt in de dialoog “Het Drinkgelag” van Plato. Diotima vergelijkt ergens het baren van kinderen met het “baren” van schone werken van de geest, zoals gedichten, of wetten, of wetenschappelijke theorieën. Voor dit geestelijke “baren” heeft ze een grotere waardering dan voor het baren van lichamelijke kinderen, want dat laatste vergt geen uitzonderlijke prestatie. De passage eindigt met de opmerking dat er vele heiligdommen zijn gesticht om de grote werken van de geest te eren, maar nog geen enkele voor het baren van kinderen (209E)
Plato, die “Het Drinkgelag” schreef rond 380 voor Christus, kon niet voorzien dat er een godsdienst zou komen, het Christendom, die juist het baren van een kind tot iets goddelijks zou verheffen. Natuurlijk won die Christelijke leer het van het Platonisme, want het baren van kinderen is gemakkelijk na te voelen en spreekt de massa aan. Maar wat de massa aanspreekt, is daarom nog niet waar. Ik heb nog nooit overtuigende argumenten gehoord voor de waarheid van Christelijke leerstellingen. Ook heb ik nog nooit overtuigende argumenten gehoord voor de waarheid van leerstellingen van andere massa-godsdiensten, zoals de Islam of het Hindoeïsme. Dit laatste is een goed argument voor religieuze gematigdheid en tolerantie, want een wijs mens heeft geen sterkere overtuigingen dan wordt gerechtvaardigd door het bewijsmateriaal. Met die religieuze tolerantie is het buiten de zogenaamde Westerse landen niet altijd even best gesteld. In Iran, Saoedi-Arabië, en de Soedan staat de doodstraf op afvalligheid van moslims, ook al wordt die niet vaak toegepast. In Pakistan is er een wet tegen godslastering die de doodstraf stelt op ontheiliging van de naam van de profeet Mohammed. Werkelijke godsdienstvrijheid bestaat ook niet in China maar vele islamitische landen maken het wel bijzonder bont. In Saoedi-Arabië mogen Joden en Christenen geen erediensten houden, zelfs niet in het verborgene, en in Egypte mag geen Christelijke universiteit bestaan ondanks de zeer omvangrijke koptische bevolking. Het is dan ook alleszins te begrijpen dat vele westerlingen een zekere reserve hebben jegens de Islam. Die reserve is niet per se te wijten aan een irrationele “islamofobie”, zoals J.A.A. van Doorn onlangs nog betoogde in een absurde column in Trouw, maar aan de soms gewelddadige intolerantie jegens andersdenken die vele moslims aan de dag leggen. Ik zelf zal mijn reserves jegens de Islam pas laten varen als in alle moslimlanden, te beginnen met Saoedi-Arabië, een algehele godsdienstvrijheid is ingevoerd.
|