|
Asbak
Column Desanne van Brederode 25 februari
Op de dag dat het nieuwe kabinet werd geïnstalleerd, kwam er nog gauw een kleine wijziging in het regeerakkoord. Niet in 2011, maar al in 2008 gaat het rookverbod in de horeca van kracht. Van schrik stak ik een nieuwe sigaret op. Slechts tien maanden resten om aan de gedachte te wennen - terwijl ik juist zo blij was met de datum 1 januari 2011, aangezien ik dan net veertig ben en, volgens mijn voornemens, dan ook precies twee maanden gestopt.
Pas vanaf je veertigste is roken van invloed op je gezondheid en levensduur, beweerde ooit een wetenschapsjournalist van het NRC-Handelsblad - alles daarvoor is statistisch verwaarloosbaar. Toegegeven, ik ben geen wetenschapper en ga vaak creatief met de feiten om; iets wat voor elke verslaafde geldt. Vrijdag publiceerden de kranten een wetenschappelijk onderzoek, waaruit bleek dat rokers na een ramp eerder in de psychische problemen komen dan niet-rokers. Na de vuurwerkramp in Enschede waren de rokers uit het getroffen gebied meer gaan paffen en ze ontwikkelden ook een heviger trauma dan de niet-rokers - na vier jaar hadden ze tweemaal zoveel last van angsten, depressies en stressverschijnselen dan niet-rokers. Roken is dus ook nog eens slecht voor het gemoed; nicotine stimuleert immers voortdurend het zenuwstelsel, luidde de verklaring. Mag je dat omdraaien? Waren de rokers misschien niet al voor de ramp heel gevoelige lieden, die naar de sigaret grepen om zich even achter een rookgordijn te kunnen terugtrekken, om even hun eigen adem te kunnen zien, in dromerige wolken? Is roken niet wat duimzuigen is voor kinderen? Mag het een wonder heten dat veel kunstenaars roken of gerookt hebben? Behalve dat de sensitieve rokers paffen om zich nog enigszins in de harde, rampzalige werkelijkheid staande te kunnen houden, zijn zij ook degenen die zich in voorgaande jaren een sociale, zeg maar gerust empathische houding hebben aangeleerd, dankzij de kreet: ‘Roken? We komen er samen wel uit.’ Alle rokers die ik ken, zijn zo beschaafd dat ze nooit zomaar ergens hun behoefte botvieren, maar eerst vriendelijk toestemming vragen... Rokers trekken zich op feestjes stilletjes terug op het balkon, wanneer ze weten dat hun gastheer liever geen stinkende kamer wil. Ze horen soms al aan iemands zuchtjes of iemand astma heeft, ze staan stil bij ouderdom, bij zwangerschappen, bij kleine kinderen. Worden ze op een kluitje gedreven bij een walmende paal, dan beginnen ze een leuk gesprek, delen moeiteloos zowel vuur als rookwaren met lotgenoten, en schreeuwen niet terug wanneer ze vlijmende opmerkingen krijgen over hun gedrag, maar doven dan braaf hun peuk. Voor de missie respectvol samenleven, zijn veel rokers allang glansrijk geslaagd, waar niet-rokers vaak nog geen enkel inzicht hebben in hun voor anderen hinderlijke gedragingen en nog niet kunnen omgaan met kritiek, anders dan door meteen luid terug te blaffen. Wil de nieuwe regering haar motto serieus gestand doen, dan heeft ze rokers nodig. Die weten wat samenleven werkelijk betekent. Maar voor hun goede gedrag worden ze ook nog eens gestraft. Dat noem ik nu echt: stank voor dank.
|