|
Ontwikkelingssamenwerking
Column Désanne van Brederode 2 november 2008
De kredietcrisis is in volle gang, en tegelijk ligt het ministerie van ontwikkelingssamenwerking onder vuur. In de Tweede Kamer, in de media – overal moet minister Koenders kritische vragen beantwoorden. Waarom gaat er zo’n enorm percentage van ons bruto nationaal product naar ontwikkelingshulp, terwijl in eigen land de armoede toeneemt?
Natuurlijk, een democratie floreert bij gezonde achterdocht. Opvallend is wel dat Koenders’ voorgangster, mevrouw Agnes van Ardenne, het op dit punt veel makkelijker heeft gehad. Logisch. Bert Koenders oogt, net als zij, oprecht bezorgd en betrouwbaar, maar hij is daarbovenop nog eens hartstochtelijk ambitieus. Koenders praat over Afrika alsof zijn halve familie er woont, alsof hij er persoonlijk belang bij heeft dat Afrikanen worden geholpen en nog liever: voor vol worden aangezien. Herhaaldelijk beklemtoont de enthousiaste minister bijvoorbeeld dat Afrika niet één groot land is, maar een continent, bestaande uit verschillende landen, die allemaal een andere geschiedenis en cultuur kennen, met andere problemen kampen en om een andere bejegening vragen. Ik vrees dat het precies deze nuanceringen zijn, die zoveel irritatie wekken. Karikaturen houden de wereld tenminste overzichtelijk. Dus: primitieve zwarten zijn primitieve zwarten – punt uit. En of ze nu in oost Congo leven of in Somalië; zodra ze even niks te doen hebben, (wat meestal het geval is, zeker wanneer westerse controle ontbreekt) pakken ze hun kapmessen en slaan elkaar de koppen in. Treurig, maar ja: zolang ze dat maar niet doen in mijn eigen achtertuin…. Soms, als Koenders vastloopt in een debat, benut hij deze angst. Dan verdedigt hij zich met de opmerking: ‘Als wij alle hulpverlening staken, zullen er op den duur nog veel meer bootjes met vluchtelingen binnenkomen, en dat wilt u toch ook niet?’ Nee, dat willen de critici niet. Het is al erg genoeg dat er überhaupt asielzoekers in Nederland zijn. Persoonlijk denk ik dat juist ontwikkelingssamenwerking haar voordeel met de verhalen van de vluchtelingen kan doen. Velen van hen hebben jarenlang ervaring met westerse noodhulp en durven hier pas de onwelgevallige waarheid te vertellen. Ze kunnen de minister uitleggen waar het in hun land met de samenwerking fout gaat, en hoe ons geld beter kan worden besteed. Niet de taal van de NGO-bureaucraat, maar de getuigenis van de overlevingsdeskundige. Ze kunnen aanstaande hulpverleners begeleiden bij het leren van de taal en gebruiken van hun land van herkomst, ze kunnen, als ware ambassadeurs, aan Nederlanders voorlichting geven over hun land, over de moeilijkheden en de mogelijkheden, zonder dat men ze van filantropische grootheidswaan of elitaire boekenwijsheid zal betichten. Koenders heeft gelijk als hij zegt: ‘De derde wereld helpen betekent uiteindelijk: minder vluchtelingen hier.’ Maar wat een revolutie als hij dit nu eens omdraaide: ‘Luisteren naar de vluchtelingen alhier, betekent zinvollere opbouwwerkzaamheden elders.’ Ik ben ervan overtuigd dat ‘onze’ asielzoekers prima kunnen helpen om tot effectievere hulpverlening te komen. Bovendien is hun betrokkenheid minder incidenteel en vluchtig dan die van u en mij. Zij weten immers als geen ander waarover ze praten. Alleen: ze praten niet. Ze krijgen de kans niet eens.
|