Het is een nadeel van de economische crisis dat andere kwesties niet meer de aandacht krijgen die zij verdienen. Bijvoorbeeld de kwestie van de dubbele nationaliteit. De Kamer wil enerzijds de dubbele nationaliteit ontmoedigen, anderzijds wel men ook niet toegeven aan het idee van het eigen volk eerst. Een gevoelig dilemma. Wie herinnert zich niet de ophef over de dubbele nationaliteiten van de staatssecretarissen Albayrak en Aboutaleb?
Deze week kwam de kwestie weer aan de oppervlakte via Tofik Dibi van Groen Links, die minister Van der Laan had gevraagd of het juist is dat koningin Beatrix een dubbele nationaliteit heeft. De majesteit zou naast de Nederlandse ook de Britse nationaliteit bezitten en vermoedelijk ook nog de Duitse. U begrijpt de achterliggende suggestie: als zelfs het staatshoofd - ons nationale symbool - een dubbele nationaliteit mag hebben, hoe kan men dan andere Nederlanders hetzelfde recht ontzeggen?
Minister Van der Laan betoonde zich in zake het koningshuis een echte sociaal-democraat. Dus ontweek hij de vraag en zei slechts dat de Koningin de Nederlandse nationaliteit bezit.
Ja, dat wisten wij al. Het ging om die andere nationaliteiten.
Gelukkig is er een autoriteit op dit gebied, Jessurun d’Oliviera, oud-hoogleraar in het internationaal privaatrecht, Europees recht en migratierecht. Al in 1998 toonde hij aan dat onze opvolgende koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix op grond van een oude Engelse wet Brits zijn. Het is te ingewikkeld om hier uit te leggen, maar het begint bij Sophie, de Keurvorstin van Hannover, die in Engeland op de troon kwam. In 1705 is door de Britten een naturalisatiewetje aangenomen, waarin is vastgelegd dat Sophie en al haar nazaten fictief in Engeland geboren zouden zijn. Raar maar waar. En dus ook geldig voor Wilhelmina, Juliana en Beatrix, die rechtstreeks afstammen van Sophie uit Hannover.
In HP/De Tijd van 16 december 2005, heeft d’Oliviera beschreven wat er gebeurde toen hij zijn bevindingen ter bevestiging of ontkenning aan de Rijksvoorlichtingsdienst voorlegde. Eerst werd geantwoord dat de RVD zich niet uitspreekt over de juistheid van wetenschappelijke publicaties. Vervolgens kreeg de hoogleraar te horen dat de koningin maar één paspoort heeft, want natuurlijk ook geen antwoord is, want je kunt één paspoort hebben en toch twee of drie nationaliteiten bezitten. Toen zei de RVD dat het om een volstrekt theoretische kwestie ging en tenslotte werd er gezwegen.
Gelukkig heeft d’Oliviera zijn analyse bij het staatshoofd zelf kunnen toetsen. Dat gebeurde in 1998 op paleis Noordeinde, toen Paul de Wispelaere de Prijs der Nederlandse Letteren kreeg uitgereikt. Beatrix vertelde bij die gelegenheid hoe het was om in Canada Engelstalig op te groeien. Daarop trok de hoogleraar de stoute schoenen aan en bracht naar voren dat de majesteit niet alleen Engelstalig is opgegroeid, maar dat zij ook de Britse nationaliteit bezit.
“De vorstin keek me aan”, schrijft d’Oliviera, “als door een adder gebeten en sprak: ’Hoe komt u daarbij? Dat is een krantenhype’”.
De hoogleraar antwoordde: ‘Maar mevrouw, ik ben de bron van die hype.’
“Dan is het een onderwerp voor een andere gelegenheid’, prevelde de majesteit. Waarop zij zich resoluut omdraaide.
In de hoogste kringen weet men dus precies hoe het in elkaar steekt met die dubbele nationaliteit van ons Koningshuis. In plaats van er spastisch over te doen, zou eenvoudige erkenning wel zo oprecht zijn. Dan kan de kwestie ook snel in de Kamer worden afgehandeld.