|
dinsdag 24 januari 2006 13:15
|
verslag
|
Reacties: Buitenhof 22 januari 2006
Maria van der Hoeven (CDA), minister van Onderwijs
Op deze pagina kunt u een selectie lezen uit de reacties op de uitzending van 22 januari 2006:
- Maria van der Hoeven, minister van onderwijs over schooluitval
- Leon de Winter en Chris van der Heijden over onderhandelen met Bin Laden en Al Qaida
- Bernard Wientjes, voorzitter VNO-NCW over discriminatie op de arbeidsmarkt
- Désanne van Brederode over De Soldaat
> Schooluitval
---------------------------------------------------------------------------------
Geachte mijnheer Witteman,
Met stijgende verbazing heb ik geluisterd naar uw vraaggesprek met de Minister van Onderwijs. Kennelijk bent u, en soms ook de Minister, onjuist geinformeerd over een aantal kengetallen van het voortgezet onderwijs. daardoor ontstaat er een onjuist beeld van de situatie in het vmbo, en van het voortgezet onderwijs in het algemeen.
1. U stelt dat 25% van alle vmbo-leerlingen niet 'doorleert'. De feiten liggen anders, zo blijkt uit CBS en CFI-cijfers. Van alle leerlingen in leerjaar 3 en 4 van het vmbo stroomde in 2003 85.6% door naar ofwel havo, ofwel mbo. Slechts 14.4% van de vmbo-leerlingen stopte (op dat moment) met onderwijs. Het merendeel van deze 'onderwijsverlaters' haalde overigens wèl een diploma. De echte probleemgroep is dan ook veel kleiner dan u en de Minister veronderstellen. Slechts 3.3% van alle vmbo-leerlingen (ruim 7000 leerlingen in totaal, over heel Nederland...) haalt geen vmbo-diploma en stroomt niet door naar een andere school. Sterker: het aantal ongediplomeerde schoolverlaters dat niet naar een vervolgopleiding gaat, is juist na de invoering van het vmbo gedaald van ruim 10.000 (in 2001) naar ruim 7000 leerlingen (in 2004). Het gaat dus steeds beter, sinds de invoering van het vmbo. Overigens blijkt uit ander onderzoek dat veel 'onderwijsverlaters'op een later moment (en soms is dat slechts enkele maanden na het verlaten van het vmbo - als ze geen werk kunnen vinden...) alsnog doorleert.
2. Juist in het vmbo zijn veel scholen al sinds de invoering in 1998 actief aan de gang met vernieuwingen. Veel meer aandacht voor praktische didactische werkvormen en voor beroepsorientaie en beroepsvoorbereiding, leerwerkplekken, betere doorstroming naar het mbo, samenwerking met bedrijfsleven... Vlak voor de kerst heb ik overleg gehad met de Minister over meer dan honderd vmbo-scholen die bezig zijn met de invoering van nieuwe programma's: technologie, ICT-leerroutes, techniek-breed, Sport, Dienstverlening & Veiligheid. De Minister wil dat deze scholen wachten met de invoering van deze nieuwe programma's tot zij een advies heeft van een door haar ingestelde adviesgroep, en op haar overleg met de Kamer over grotere planningsvrijheid voor scholen. De betreffende vmbo-scholen (en wij, als hun vertegenwoordiger) zijn teleurgesteld, en proberen nu een compromis te bereiken. Het beeld is dus niet: de scholen wachten maar af, en de Minister neemt het voortouw, maar andersom: de scholen gaan sneller dan de Minister kan bijbenen.
3. Uw uitspraak dat 'er tegenwoordig meer managers dan leraren rondlopen' gaat ècht te ver. De feiten liggen voor het voortgezet onderwijs volstrekt anders. Uit het advies van de Onderwijsraad over 'bureaucratisering en schaalfactoren in het onderwijs' valt op te maken dat het aantal eindverantwoordelijke directiefuncties in de periode van schaalvergroting (1990-2000) juist is gedaald van 1800 naar 700, en dat het aantal adjunct-directeuren in diezelfde periode nauwelijks is gestegen: van 3500 naar 3600. Het totaal van de directieformatie is dus niet gestegen, zoals u beweert, maar juist gedaald: van 5300 naar 4300. Intussen is het aantal leraren in het voortgezet onderwijs wèl gestegen: van 44.700 naar 53.500. In percentages is de omvang van de directie op dit moment ca. 4.4% van de totale personeelsformatie, zo blijkt uit recente cijfers van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt.
4. Uw uitspraak dat er enige relatie zou bestaan tussen 'het nieuwe leren' en een (niet bestaande) toename van het management beschouw ik maar als een verbale uitglijder. Samen met NWO hebben wij in november 2005 een begin gemaakt met een beter samenwerking tussen wetenschappelijk onderzoek en nieuwe onderwijskundige ervaringen en concepten die op dit moment beproefd worden. Het is van twee dingen één. Ofwel we kiezen voor een didactiek en pedagogiek die beter aansluit bij de leerstijl en leerbehoeften van de huidige leerlingen, ofwel we blijven steken in traditioneel onderwijs, met het risico van een hoge uitval. Wij kiezen voor vernieuwing-met-beleid, stimuleren scholen om van elkaar te leren, en leggen verbanden met de wetenschap en de Inspectie, om een beter beeld te krijgen wat werkt, en wat niet.
5. Over de omvang van scholen bestaat veel onduidelijkheid. Dat komt omdat de fusies die in de periode 1992-1998 hebben plaatsgevonden, wel leidden tot een bestuurlijk-administratieve samenvoeging, maar vaak niet tot opheffing van de bestaande locaties. Veel brede scholengemeenschappen hebben op papier een grote omvang, maar bestaan in de praktijk uit 2 of meer locaties. Er is binnen die brede scholengemeenschappen daardoor minder een strijd tussen verschillende niveaus en schoolsoorten, maar een (in ieder geval binnen bestuur en directie beleefde) maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de onderwijskundige kwaliteit en samenhang van àlle schoolsoorten en groepen leerlingen in een plaats of regio. In de praktijk telt het voortgezet onderwijs nu ca. 650 scholengemeenschappen, met in totaal bijna 1300 vestigingen. Op papier is de gemiddelde schoolgrootte ca. 1400 leerlingen. Voor ouders en leerlingen telt niet de scholengemeenschap maar de school (= vestiging) waar zij mee te maken hebben - en dan hebben we het gemiddeld over scholen van nog geen 700 leerlingen. Schoolleiders slagen er steeds beter in om de schaalvoordelen van meer keuzemogelijkheden voor leerlingen te combineren met kleine, overzichtelijke deelscholen binnen de school.
Ik wil een beroep op u doen om ruimte te bieden voor het neerzetten van de juiste feiten en ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs. Voor een goed maatschappelijk debat is het kennen van de juiste feiten van groot belang. Al te vaak wordt er gesproken in beelden en veronderstellingen. Die doen geen recht aan de kwaliteit van het voortgezet onderwijs, en die van het vmbo in het bijzonder. Pas als we de feiten beter kennen, kan de discussie zich preciezer richten op de probleemgroepen en problemen die er wel zijn - en kunnen we komen tot veel betere, passende oplossingen. Door nu feiten en beelden door elkaar te halen, wordt het debat vertroebeld, en komen we niet verder dan het uitwisselen van vooroordelen - en het rechtzetten daarvan.
Met vriendelijke groet,
Pieter Hettema
voorzitter Schoolmanagers_VO
---------------
Geachte redactie,
Het onderwijs zoals het nu is lijkt mij al wat te gedifferentieerd. Er zou een centraal uitgangspunt moeten zijn waar alle vakken op terug kunnen vallen.
Neem bijvoorbeeld de mens en zijn spijsverteringsorgaan/weg.
Vanuit de voedselverwerking kan een wereldvisie opgebouwd worden met al haar facetten op wetenschappelijk gebied toe.
De interactie van de mens en zijn omgeving middels het voedsel dat hij tot zich neemt.
Biologie, chemie, aardrijkskunde en geschiedenis, allemaal vakken die terug e voeren zijn op dit thema. Eigenlijk is het zgn theezakje-model helemaal zo gek nog niet. Hoe verder iemands interesse en kennis van het centrale thema af naar het meer abstracte reikt, hoe verder ook zijn/haar specialisme is ontwikkeld.
Verder moet de school een thuis worden. Na de lessen zorgen leerlingen voor elkaar in groepen. Men doet boodschappen, maakt schoon en kookt voor elkaar. Pas rond de klok van het journaal gaan de kinderen naar huis. Op verzoek/om toerbeurt eten enkele ouders met de kinderen op school mee.
Men mag geen toevlucht nemen tot een centrale gaarkeuken. De kinderen dienen nauw betrokken te blijven bij de toebereiding. Bewust gezond eten, bewust inkopen. (over rigide regels betreffende klaslokalen waarin gekookt mag worden moet kunnen worden afgeweken. Voorts zijn er altijd leerlingen zover in hun leerproces gevorderd dat zij aanpassingen zelf kunnen aanbrengen. Ook zijn zij zelf in staat hygiène-eisen te toetsen. Een professionele eindtoets kan dan nog altijd plaatsvinden). Men moet ergens beginnen de jeugd het vertrouwen te geven waar ze recht op hebben!
Werkgevers komen op school praten over toekomstige werkkrachten (boven de 18 jaar). Ze hebben een profielschets voor een funktie en in overleg met docenten wordt een geschikte kandidaat gevonden. Afhankelijk van de situatie wordt er een overgangsperiode van een half jaar tot een jaar afgesproken om aan de nog te halen leerdoelen te werken. Zo'n periode wordt dan afgesloten met een diploma met een individueel samengesteld niveau-vakkenpakket. Iemand kan op vwo-niveau voor Duits slagen en op vmbo-niveau voor wiskunde. In de overgangsfase is de leerling dus een aantal dagen op de werkvloer in zijn toekomstig bedrijf aan het werk en een aantal op school voor zijn diploma aan het leren.
Mocht de overdracht van school naar bedrijf onbevredigend verlopen; een leerling heeft altijd het recht om tot zeg het 24 ste levensjaar terug te vallen op school. Ook al is er intussen wel een diploma behaald.
Voor schoolverlaters zonder werk, dus 24 jarigen kunnen projekten opgezet worden. In de non-profit. Of in ontwikkelingswerk enz.
Het onderscheid in niveaus na de basisschool kan voorlopig gehandhaafd. Ook leerkrachten zullen aan het nieuwe systeem moeten wennen. Ook zij moeten zich richten op het centrale thema met al de schakeringen op hun vakgebied.
Ook moeten zij juist gericht zijn op onderscheid in plaats van eenvormigheid van de groep betreffende het individuele prestatieniveau van een leerling.
Een holistische mensvisie met de spijsvertering, voedselvergaring tot uiteindelijk een mensbeeld als centraal thema moet mijns inziens een voldoende groot draagvermogen hebben om zowel de positie van de jeugd als de belangen in de maatschappij te verbeteren en te garanderen.
Tot slot zouden gemeenten moeten zorgen voor jeugd hotels en gaarkeukens in de binnensteden waar jongeren hun eigen cultuur verder kunnen ontwikkelen in de vrije tijd. Bouw, uitvoering en toezicht kunnen door henzelf gedaan worden. Materiaal en gereedschap is een investering van de gemeente. Tevens is er zo ruimte voor een positieve marge voor hen die niet in het systeem passen.
Centrale thematiek met de mens zelf als uitgangangspunt maakt dat iedereen zich schakel weet van een geheel. Verbanden kunen, worden en moeten gelegd op ieder nieveau.
Was ik maar minister van onderwijs.
Groeten,
Jozef Meershoek
---------------
t.a.v. Hr. Witteman.
Ik heb zoeven de discussie met de minister van onderwijs gevolgd en enkele
uitspraken van mevr. van der Hoeven hebben mij verwonderd; te zacht uitgedrukt.
Zij wil niet meer terug naar de Ambachtschool maar het is mij nog niet
duidelijk waarom niet.
Meer handvaardigheden komen er in het beroepsonderwijs. Maar dat is dan een
verschuiving in de richting van de Ambachtsschool.
De vroegere Ambachtsschool van haar vader bood geen mogelijkheden voor
vervolgonderwijs en dat is een pertinente onwaarheid. Als die er voor hem
niet was heeft hij waarschijnlijk het diploma van de Ambachtsschool niet
gehaald. Er waren namelijk altijd Gezellen-opleidingen op avondscholen en
daarna nog Meesters-opleidingen. Waarschijnlijk nooit van Gezellen en
Meesters gehoord.
In de jaren vijftig waren er Leerlingstelsels van de Stichting Vakopleiding
Bouwbedrijf met voortgezet avondonderwijs.
Voor Electrotechniek waren er voortgezette avondopleidingen tot
Installateurs Diploma's toe.
De automobiel-industrie had Bovag-opleidingen En de metaal-bedrijven de
z.g.n Bemetel-opleidingen.
Om op UTS toelatings-examens voor te bereiden waren er avonscholen en voor
de voorbereiding op het toelatings-examen voor de MTS (thans HTS) was er de
z.g.n. VMTO avondschool (Voorbereidend Middelbaar Technisch Onderwijs).
En dan bood zoals bekend de P.B.N.A. ook mogelijkheden voor opleidingen tot
Staats-examens op vele vakgebieden.
Waar ik bang voor ben is het gat dat er is ontstaan in het doorgeven van
kennis en ik denk dat de leraren opleidingen in handvaardigheden ernstig
tekort schieten t.o.v. de vroegere Meestersopleidingen.
F. de Wit
BONAIRE
---------------
Geachte redactie e.a.,
zojuist zag ik in het programma Buitenhof het interview van Witteman met de minister van Onderwijs.
Hoewel ik geen 'fan' ben van de minister in het algemeen, vond ik dat ze vandaag een heleboel feiten verkondigde waar ik verrast over was. Ze getuigde van meer realiteitszin en inzicht dan waar ik haar ooit op had kunnen betrappen. Wat mij stoorde was dat de heer Witteman haar wel erg vaak onderbrak en haar bijna woorden in de mond legde die zij niet gezegd had. Vooral het niet laten uitspreken stoorde mij deze uitzending nogal.
Voor dat u denkt dat ik een oude zeur ben even een kort profiel van mijzelf: vrouw, 53 jaar, hbo opleiding voltooid; met 'universitaire uitstapjes' maar ook middelbare beroepsopleiding afgerond en daarmee werkervaring opgedaan; kon als onderwijzer eind 70-er jaren niet aan de slag wegens klasvergroting door de toenmalige minister van onderwijs Pais (die laatste actie is de Nederlandse maatschappij later duur komen te staan, want nog geen twintig jaar later manifesteerde zich een groot tekort in de onderwijswereld, op de basisscholen met name). Verder heb ik met het gezin twee keer 4 jaar in het (islamitische en deels onderontwikkelde) buitenland gewoond en heb in de rest van mijn leven mijn ogen goed de kost gegeven in de rest van de wereld. Ik ben getrouwd en heb twee studerende kinderen (universitair). Momenteel prijs ik mij gelukkig met een goede (herstelde) gezondheid en een heel klein baantje buitenshuis. Mijn echtgenoot is universitair geschoold (bèta) en gepromoveerd. (Helaas levert dat als ex-ambtenaar in de onderzoekswereld niets extra's op. Hij had misschien beter medisch specialist of makelaar kunnen worden, maar ja, dit alles terzijde.)
Waar ik vooral even op wil terugkomen is de opmerking over het rekenen (PABO en basisschool) en wiskunde van de minister. Zij doet het vóórkomen alsof je op de basisschool niet met wiskunde in aanraking komt. Hier wreekt zich al heel lang de schoen!!
Toen ik in 1978 (ja, bijna 30 jaar geleden!!) door omstandigheden verhuisde van Groningen naar het westen van het land en daar mijn laatste jaar van de Pedagogische Academie ging volgen, kon ik in mijn zoektocht naar een opleiding waar het vak "Rekenen" als examenvak werd gedoceerd slecht één opleiding vinden van de vijf PA's die er toen waren in Den Haag en Rotterdam samen. Ik heb het alleen over het Openbaar onderwijs, niet het Bijzonder.
Conclusie 1:
Het vak rekenen was in de 70-er jaren niet eens een verplicht examenvak op PA!! Wie verbaast zich er nog over dat het met het rekenonderwijs slecht gesteld is, als 80 % van de nieuwe onderwijzers er niet in is geschoold?
Conclusie 2:
Zelfs het wel geschoold zijn in rekenen 'sec' zegt niets over je capaciteiten om kinderen op de juiste wijze rekeninzicht te verschaffen, laat staan dat je kinderen met rekenproblemen kunt helpen. Op dat vlak werd sowieso heel weinig aan vorming van jonge onderwijzers gedaan, ook niet in de klassen vóór het examenjaar. Waarom was in de jaren '80 en '90 zoveel behoefte aan remedial teachers, denkt u?
Conclusie 3:
Het meest trieste van het hele verhaal van mij is dat rond 1980 een geweldig, fascinerend instituut is opgeheven dat zich bezighield met wiskundeonderwijs voor basisschool leerlingen, jawel ik heb het over de nooit meer geëvenaarde methode WISKOBAS van het IOWO, toendertijd meen ik in Utrecht gevestigd en gelieërd aan de Universiteit van Utrecht. (Professor Hans Freudenthal??)
Ik heb het voorrecht gehad met deze methode te mogen werken in mijn stagejaar ('78-'79), op een toen al 'gemengde' basisschool in de binnenstad van Vlaardingen. De school had zich verbonden aan deze methode en ik heb er verbluffende staaltjes van wiskunde op het niveau van alle klassen van de basisschool mee mogen maken. Ik kan er nu nog lyrisch over worden.
Het is een grof schandaal dat dit geweldige wiskundeonderwijs (want dat was het!) in dat vroege stadium vrijwel met de grond gelijk is gemaakt.
Was deze methode in het hele land, misschien hier en daar wat aangepast, op de basisscholen ingevoerd (nadat het onderwijzend personeel was geschoold om het te 'gebruiken') dan hadden wij in Nederland een zeer hoogstaand niveau van wiskundig rekenen bij onze kinderen kunnen bereiken en daar nu nog steeds de geweldige vruchten van kunnen plukken. Zoiets werkt generaties lang door!!
Dat merken we ook nu we in een neerwaartse spiraal zitten, mijnsinziens.
Dit wilde ik graag even kwijt.
Met vriendelijke groet,
Mw. M.H. Wolters-Vos
Wageningen