|
zondag 7 oktober 2007 13:29
|
column
|
Column Désanne van Brederode
7 oktober 2007
Bij de week van het onderwijs nog dit. Op veel middelbare scholen waar het vak filosofie wordt gedoceerd, is leren debatteren een vast onderdeel. Niet alleen leren leerlingen hun eigen mening goed beargumenteerd en eloquent over het voetlicht te brengen, niet alleen leren ze kritisch naar de meningen van anderen te luisteren, zoals in het programma het Lagerhuis - nee, ze leren er ook de advocaat van de duivel te spelen. De docent poneert een stelling en verdeelt de klas volstrekt willekeurig in twee groepen, waarbij de ene groep de stelling moet verdedigen en de andere groep dezelfde stelling moet aanvallen. De persoonlijke overtuiging moet gedurende het lesuur soms volkomen verlaten worden, opdat het debat scherp blijft, geestig, vlammend, spannend om naar te luisteren. De kwaliteit telt, niet de uitkomst - zo die er al is. Ooit had ik het genoegen om een debatwedstrijd tussen een viertal gymnasiumklassen mede te mogen jureren. Ik stond versteld van hun talenten. Waren ze zo opportunistisch dat ze met moeiteloos met alle winden konden meewaaien? Integendeel. Bij de borrel achteraf kwamen de leerlingen van de klas die gewonnen had, de juryleden uitleggen hoe ze werkelijk over de aangereikte kwesties dachten, opdat we maar goed begrepen dat we slechts de vorm, en niet de inhoud hadden beloond. Dat begrepen we. Het klassieke debat is eerder een kunst dan een kunde.
Helaas is het maar een kleine elite die debating-lessen kan genieten. Waarom behoren ze nog niet tot het standaard-onderwijspakket? Liever dan inburgeringsspelletjes en kostbare interactieve projecten over gezondheid, normen en waarden en de omgang met de enorme hoeveelheid seks en ander mediageweld, zie ik dat pubers leren om bepaalde maatschappelijke kwesties van twee of meer kanten bekijken. Het lijkt mij een zegen als islamitische leerlingen soms de gelijkheid tussen man en vrouw - en vrijgevochten leerlingen soms op hun beurt een conservatieve moraal zouden moeten verdedigen, om maar een voorbeeld te noemen. Ik gun het jonge mensen dat ze leren zich niet te sterk met hun eigen waarnemingen, gevoelens, denkbeelden en gewoontegedrag te identificeren, maar ook het vermogen ontwikkelen om de gedachtegang van eventuele tegenstander stap voor stap te voltrekken. Een standpunt kunnen innemen, betrokken burgerschap, het blijft belangrijk. Maar oprechte betrokkenheid bestaat bij gratie van het talent om zo nu en dan ook te kunnen uitburgeren en als een verbaasde, kritische vreemde naar de aannames van jezelf en die van je vertrouwde kringetje te kijken. Bovendien: om je te kunnen inleven in hoe een ander denkt, heb je echt geen gymnasiumhersens nodig. Daar volstaat lenige verbeeldingskracht, fantasie - en die laat zich niet in rapportcijfers of een IQ-getal vangen. Het bewijs: veel kunstenaars en literatoren hebben hun school niet afgemaakt, of haalden, sorry mijnheer Balkenende, sorry mijnheer Plasterk, gedurende hun hele schoolloopbaan louter magere zesjes. Toch: iets avontuurlijkers voortbrengen dan een rotsvaste, afgekloven eigen mening, dat kunnen ze als de besten.