Ineke Middag -directrice van het Erfgoedcentrum Diep- over het tragische leven van de Dordtse kunstenaar Reinier Kennedy (1881-1960), de Engelse schrijver David Mitchell over zijn roman ‘De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet’, en het eerste deel van de tweeluik ‘Een muze zegt geen nee’: over de band tussen de muze en de kunstenaar.
EERSTE UUR
Catherine van Campen spreekt met Ineke Middag, directrice van het Erfgoedcentrum Diep, over de tentoonstelling ‘Vogelvrij’ in Het Hof Dordrecht. De tentoonstelling verwijst naar het bewogen leven van de aanvankelijk succesvolle Dordtse kunstenaar Reinier Kennedy (1881-1960). Op het hoogtepunt van zijn roem werd hij echter als psychiatrisch patiënt opgenomen in een inrichting, die hij nooit meer zou verlaten. ‘Vogelvrij’ toont Kennedy’s schilderijen en tekeningen in combinatie met documenten en brieven uit zijn leven.
TWEEDE UUR
Jeroen van Kan in gesprek met de Engelse schrijver David Mitchell over zijn nieuwe roman ‘De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet’. Hoofdpersoon is de Nederlandse boekhouder Jacob de Zoet die eind 1799 naar Decima komt om de boeken van de VOC op corruptie te controleren.
DERDE UUR
‘Een muze zegt geen nee’
Homerus begint zowel zijn Ilias als Odyssee met het aanroepen van een muze: “Muze, bezing mij!” Sommige muzen zijn net zo bekend als hun bewonderaar, de kunstenaar: Gala, Mathilda of Karina. In deel I van deze radiodocumentaire werd duidelijk dat niet alle kunstenaars voor die klassieke muze vallen en er ook ongebruikelijker muzen bestaan: de koe, de stad of een tiran. In deel II is de muze zelf aan het woord (de voormalige muze van muzikant Thomas Brenneck), is de muze nog niet gevonden; door schrijver Joris van der Geest en blijkt dat makers van deze radiodocumentaire, Bente Hamel en Catherine van Campen, zelf dichtbij hun onderwerp staan...
‘De ketting’
Een snoer van gedichten, opgezet door de dichter Daniël Dee, waarbij dichters op een gedicht reageren van een andere dichter door middel van een nieuw gedicht. Afl. 38. Dichter Frederik Lucien de Laere reageert op het gedicht van Tsead Bruinja.